(3) Beeldspraak

Wat is poëzie? Hoe moet deze gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken betreden worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan.
 

Deel 3

Een poëtische tekst is geen gewone tekst. De lezer weet dat, de toehoorder weet dat en ook de dichter weet dat. Verwacht daarom geen boodschappenlijstjes, geen boterbriefjes, geen handleiding over het gebruik van een grasmaaier, geen journalistieke nieuwsberichten en geen uitgebreide essays over de toestand in de wereld. En als dat wel het geval is, dan is het een poëtisch boodschappenlijstje, een poëtisch boterbriefje, een poëtische etc. Een gedicht is een bijzondere vorm van communicatie. De lezer weet dat, de toehoorder weet dat en ook de dichter weet dat. Iedere poëtische tekst vormt een afzonderlijk pact met de dichter en de luisteraar en op zijn eigen voorwaarden. De lezer stelt zoveel mogelijk zijn eigen oordeel uit en opent zich voor de wereld van het gedicht.
Of niet natuurlijk, want niet iedereen heeft behoefte aan zo’n verbond. Niet iedereen kan zich erin vinden. De poëzie heeft – en soms met recht – de naam moeilijk te zijn.

Anders dan een gewone tekst benut een poëtische tekst bepaalde effecten van de taal om een ‘poëtisch effect’ te creëren. Een van de meest basale poëtische elementen die een lezer in een tekst tegen kan komen, is de beeldspraak; in de volksmond kortweg ‘metafoor’ genoemd. In het woord zelf zit al een fraaie tegenstelling, zoals zoveel in de poëzie zich in louter tegenstellingen laat uitdrukken: beeld versus spraak; de waarnemingen van het oog en van het oor. Synesthesie heet dit, verwarring van de zintuigen. Kun je met woorden iemands ogen binnendringen? Schijnbaar wel. Waarom anders zouden we een ‘beeldspraak’ hebben, en waarom anders zou deze zo mateloos populair zijn?

De term ‘metafoor’ of ‘symbool’ laat zich het gemakkelijkst omschrijven als een beeld dat representant is voor een abstract begrip. Zo kan de roos representant zijn voor het abstracte begrip liefde: "mijn liefde is als een roos". En in zekere zin is ieder gedicht op zich weer een metafoor, omdat iedere tekst niet naar zichzelf verwijst maar naar iets anders. Vergelijk het wellicht met de paradox van het woordenboek: de uitleg van ieder woord verwijst constant naar andere woorden in datzelfde woordenboek.

De basis van iedere beeldspraak is de als-vergelijking, zoals ons voorbeeld zo mooi laat zien. Hiermee wordt de lezer de mogelijkheid geboden om het actuele, het werkelijke, te verlaten en af te reizen naar het poëtische oord van het mogelijke. Mits de lezer de impliciete uitnodiging van de ‘als’ aanvaardt. Dan doet de verbeelding haar intrede. Tussen het scherm van de harde realiteit door, sijpelen de dagdromen, de fictionaliteit. Het is alsof het werkelijke louter een toneelstuk of een film blijkt te zijn, die door de lezer naar believen geïnterpreteerd en wellicht ook ge-edit kan worden.

Binnen een gedicht gaan de beelden vervolgens een gesprek met elkaar aan. Ieder volgend beeld versterkt, verzwakt of vervormt het voorafgaande. Binnen een tekst ontstaat zo een zang van beelden die het gedicht mede coherentie verleent en en passant poogt de lezer te verleiden. Om inzicht te verkrijgen in zulke samenzangen is het mogelijk om een beeldenreeks te verzamelen onder een of meerdere paradigma’s. Dit zijn reeksen woorden die ongeveer dezelfde betekenis dragen. Zo zou daar voor ons voorbeeld bij kunnen komen: roos, minnaar, liefde, bed, huwelijk, etc.
Enerzijds versterkt zo’n reeks de coherentie in een gedicht; we beginnen steeds beter te begrijpen waar het in het gedicht om gaat. Anderzijds zorgen de beelden ervoor dat er door hun onderlinge correspondentie een meerwaarde ontstaat. De roos blijkt bestendig te zijn, de minnaar vastberaden, de liefde geconsumeerd.

In veel moderne beeldspraken is de één-op-één relatie losgelaten. Hedendaagse dichters redeneren vaak dat zij de interpretatie van hun gedichten niet aan de lezer op willen dringen. Zij kunnen wel extra betekenissen in een tekst hebben aangebracht, met bestaande symbolen spelen, of er kunnen gecompliceerde intenties aan ten grondslag liggen. Zij laten het echter aan de lezer over om eruit te halen wat hij of zij wil en wellicht ook zoekt. Op het gevaar af dat de dichter ‘niet begrepen’ wordt in zijn werk, bijvoorbeeld omdat hij te solistisch of te hermetisch bezig is geweest.
Op de achtergrond van deze moderne omgang met de beeldspraak speelt de invloed van het postmodernisme. Door het postmodernisme wordt gemorreld aan de onveranderlijke waarheden die zulke abstracte begrippen plachten uit te drukken. Er wordt gesteld of er wel zoiets bestaat als de ‘archetypische liefde’. En er wordt afgevraagd tot op welke hoogte wij kennis kunnen hebben van zo’n archetype. Kortom, de relatie tussen beeld en begrip wordt erin geproblematiseerd. Voor de dichter niet het ideale klimaat om een eenduidige metafoor na te streven. Nog los van de logische vraag of de moderne lezer nog wel zou willen geloven in een eenduidige metafoor in de tekst.

De moderne beeldspraak is dus complex. Men laat de beelden voor zichzelf spreken en is niet meer op zoek naar de achterliggende, altijd geldende begrippen. In het verlengde hiervan wordt ook eenduidige coherentie binnen een gedicht niet meer nagestreefd. Het gedicht treedt schoorvoetend het gebied van de kunst binnen en staat op zichzelf als kunstobject. Beelden zijn symbolen voor zichzelf geworden en het is aan de lezer om ermee te doen wat hij of zij wil doen. Associaties die door de gebruikte beelden worden opgeroepen, worden belangrijker geacht dan auteursintenties, betekenissen of de begrippen die men eraan kan hangen. Vandaar dat men het ook kan hebben over zintuiglijke poëzie, poëzie die zintuiglijk sterke associaties oproept.

Het landschap van beelden en stijlen is er gecompliceerder en gevarieerder op geworden. Niet in de laatste plaats dankzij de immense invloed van het beeld in onze huidige cultuur. De basis is echter hetzelfde gebleven. Ieder beeld legt middels een als-uitnodiging een relatie met de lezer. En het is aan de lezer om ermee te doen wat hij of zij wil doen.

Daar beeldspraak zo belangrijk is, zijn er heuse ge- en verboden opgesteld. Bij tijd en wijle duiken zwarte lijsten op met beeldmateriaal dat Onder Geen Beding Door Den Serieuzen Dichter Gebruikt Mag Worden. Deze zijn vaak door dichters zelf samengesteld en noemen beelden die hetzij vallen in de categorie ‘dode beeldspraak’, hetzij in de categorie ‘romantische beeldspraak’.
De categorie ‘dode beeldspraak’ laat zich summier omschrijven als die beelden die zo vaak gebruikt zijn, dat ze volledig zijn uitgehold. De lezer kijkt daardoor niet meer naar het beeld, maar ziet louter hetgeen ermee bedoeld wordt. Clichés vallen zonder uitzondering in deze categorie.
De tweede categorie wil nog wel eens felle discussies doen ontsteken. De categorie ‘romantische beeldspraak’ bestaat uit beelden die zo vaak gebruikt zijn voor de liefdespoëzie en andere lyrische ontboezemingen, dat de emotie die ze wensen uit te dragen niet meer overgebracht wordt.

Een cultuur ontplooit en ontwikkelt zich net zoals een mens dat doet, waardoor beelden bij frequent gebruik aan zeggingskracht verliezen. Ze slijten zich in het geheugen met een bepaalde betekenis en laten zich daarna niet meer loswrikken. Het is aan de dichter om steeds weer te verrassen. Hij heeft de taak om een beeldspraak te hanteren die de lezer doet meenemen, om een beeldspraak te scheppen die verrassend is en toch bestendig genoeg om bij te blijven. Een zich herhalende, moeilijke opgave. Zeker omdat de categorie dode beelden een traag uitdijend spook blijkt.
Kijken we naar het tegenovergestelde van dood en romantisch, dan zien we: ‘nieuw’ en ‘authentiek’, zonder uitzondering voorwaarden voor goede beeldspraak.
Maar goede beeldspraak benut daarnaast andere kwaliteiten van het woord, zoals klank en ritme van het woord en in de zin. Een fraaie beeldspraak is leuk, verrassend en goed. Maar een leuke, verrassende en goede beeldspraak is op zichzelf niet afdoende voor een eveneens leuk, verrassend en goed gedicht.

Is beeldspraak essentieel voor een gedicht? Maakt een beeldspraak een tekst tot gedicht? Of bestaat er een gedicht zonder beeldspraak? Nee en misschien en ja. De beeldspraak is wellicht het meest beproefde poëtische element. Een van de vroegste Nederlandstalige poëtische regels is in ieder geval een onvervalste: ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu’. Wanneer zijn wij, als twee vogeltjes, aan de beurt voor ons nestje?
Maar er zijn ook gedichten te vinden waarin geen beeldspraak zit. Gedichten die veel op hebben met ritme en muzikaliteit, of gedichten die de abstracte begrippen ouderwets bij hun naam noemen. Of in gedichten met een ‘pointe’, humoristische of vileine gedichten die met andere, eveneens zeer effectieve middelen een gelijkwaardig poëtisch resultaat weten te behalen. Ze zijn wel verreweg in de minderheid.

Maar wat is dan toch dat ‘poëtische effect’? We weten nu dat het liegt, verleidt, dat het weinig op heeft met de actuele politiek, en dat het ons een verborgen universum kan tonen dat verborgen zit in dat van alledag: het mogelijke.
En dat allemaal dankzij dat ene alledaagse instrumentje zonder welke wij nooit enige beschaving van de grond hadden kunnen krijgen.

Het woord.

In deel vier zal ik ingaan op de oorsprong der allegorieën: religie.

Geplaatst in En verder.