Klassieker 87: Hans Andreus – Liggen in de zon

door Joris Lenstra

Meander Klassieker 87

Hans Andreus is een van die Nederlandse dichters die op zorgeloze wijze met de taal kunnen omgaan, aldus Joris Lenstra in zijn bespreking van ‘Liggen in de zon’: ‘Ze hebben een uitermate goed ontwikkeld gevoel voor woordklank, ritme en spraak waardoor de meest simpele zinnetjes door hen omgetoverd worden tot ware poëzie.’

Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
er ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.


Hans Andreus (1926 – 1977)

Uit: Verzamelde gedichten (2001 – 6e dr.)
Uitgever: Bert Bakker

De Nederlandse poëzie kent een aantal dichters die op zorgeloze wijze met de taal kunnen omgaan. Ze hebben een uitermate goed ontwikkeld gevoel voor woordklank, ritme en spraak waardoor de meest simpele zinnetjes door hen omgetoverd worden tot ware poëzie. Herman Gorter was zo’n dichter. Hans Andreus was er ook een. Ten onrechte werd hij ooit de Vijftigers gerekend. Wie naar zijn oeuvre kijkt en bijvoorbeeld zijn Sonnetten van de kleine waanzin ter hand neemt (1957), ziet dat zijn werk veel toegankelijker is dan het werk van de Vijftigers. Er schuilt een aan verlichting grenzend gevoel van humanisme in deze gedichten. Dit staat in groot contrast tot het werk van het merendeel van de Vijftigers, dat eerder nihilistisch en taalgericht is. Maar goed, zo zijn er meer Vijftigers die er op de keper beschouwd niet bij zouden moeten horen. Sla eens Het innerlijk behang (1949) van Hans Lodeizen open. Hoe hebben de Vijftigers in hem ooit hun voorloper kunnen zien?

‘Liggen in de zon’ is afkomstig uit Muziek voor kijkdieren, de bundel waarmee Andreus (eigenlijk Johan Wilhelm van der Zant) in 1951 in de door Ad den Besten geredigeerde Windroosserie (dl. 12) van uitgeversmaatschappij Holland debuteerde. Jan van der Vegt vertelt in zijn biografie van Andreus (de Prom, Baarn 1995) dat de dichter tijdens de samenstelling van de bundel veel andere titels overwoog, maar achtereenvolgens PartituurHet vrolijke eindeWeer of geen weerMuziek van brekend glas en Het leven der letters verwierp.

Het lukt niet vaak om in het Nederlands een gedicht te schrijven, dat niet vol staat met woorden waar iedere spreker met zijn tong over struikelt. Maar Andreus weet de Germaanse valkuilen van het Nederlands handig te omzeilen. Hij doet dit enerzijds door simpele, haast kinderlijke zinnen te gebruiken en die te herhalen en anderzijds door veel ‘lichte’ klanken te gebruiken: de ‘i’ en de ‘a’. Zware klanken als bijvoorbeeld de ‘oe’ of de ‘ui’, klanken die dus veel vragen van de mond en het strottenhoofd, worden gemeden. En tot slot hanteert hij de assonantie en een regelmatig terugkerend eindrijm om de tekst wat lichter en muzikaler te maken. Hierdoor wordt iedere notie van zwaarte, en wellicht ook van betekenis, zoveel mogelijk aan het gedicht onttrokken. Wat overblijft is een luchtig samengesteld tapijt van woorden.

Al vanaf het begin springt één woord mij in het oog en dat is het woord ‘pizzicato’, een woord dat niet Germaans maar Romaans is en veel meer in de mond tot recht komt. Pizzicato is een manier van bespelen van snaarinstrumenten, met name van de cello. In plaats van de strijkstok worden de snaren met de vingers geplukt. De pizzicato speelwijze brengt bijvoorbeeld in de jazz een wat luie, meer langgerekte klank voort. De ideale metgezel voor een lome zomerse dag rondhangen.

Gaan wij per strofe door het gedicht, dan valt op dat de eerste strofe erg zintuiglijk gericht is. De spreker ‘hoort het zonlicht’ want ‘de warmte spreekt tegen zijn gezicht’. In de derde regel komt uitermate goed de nutteloze loomheid tot uiting met een Hollandse ‘dat gaat zo maar niet’, gevolgd door de realiteit met ‘dat gaat zo’ waarna, het lijkt wel uit pure loomheid, de zin, en daarmee ook het verbod, onvoltooid blijft. Natuurlijk gaat het wel, lijkt deze regel haast moederlijk te zeggen, kijk maar naar het zonlicht. Alles komt goed. De laatste regelt eindigt met het neologisme ‘monodwaas’, dat door de variatie op de herhaling met ‘weer monomaan’ extra nadruk krijgt. Monodwaas lijkt de gemoedsgesteldheid van de spreker exact weer te geven: dwaas in zijn eentje, luisterend naar het zonlicht dat pizzicato tot hem spreekt.

En hoe is de spreker er nu onder? Hij verzandt niet in zijn loomheid, noch vergaapt hij zich aan het lied van het zonlicht. De spreker treedt daarentegen actief op. Hij begint te zingen, ‘in mijn huid’. Hij is duidelijk op zichzelf op zijn plaats en op zijn gemak. En hij weet dat er geen woorden bestaan voor zijn gemoedstoestand. Daarom begint hij te zingen, en daarom typeert hij zichzelf, opnieuw, als: ‘dwaas zo dwaas’. Maar hij wil zich niet afkeren van zijn omgeving. Hij wil niet de geniale gek spelen. Hij wil niet buiten de mensen en de dingen staan, maar er onderdeel van uitmaken. En juist als onderdeel brengt hij zijn gezang met zich mee.

Het fraaie, en eveneens het moeilijke, van dit gedicht is dat het een gemoedstoestand beschrijft waar geen eenduidig woord voor is. Hij noemt zichzelf ‘dwaas’, maar dwaas is geen omschrijving doch een waardeoordeel. En hij gebruikt het hier welbewust om zichzelf onkwetsbaar te maken voor het waardeoordeel van de mensen en de dingen. Het is een klassiek procedé dat ook de nar hanteert. Een nar kan uitdrukken wat hij wil, omdat men hem niet verantwoordelijk kan houden voor zijn daden. Voor de mensenmaatschappij is hij ontoerekeningsvatbaar, en daaruit bestaat zijn vrijheid. Dezelfde vrijheidsdrang is ook terug te vinden in Andreus’ gedicht ‘Voor een dag van morgen’. Ook hierin plaatst hij zichzelf en zijn gevoelens bewust buiten de wereld van de mensen.

De laatste strofe sluit het geheel af. Deze begint plagerig met ‘duidelijk zeer zuidelijk’, waarbij het onduidelijk is wat er met zuidelijk bedoeld wordt. Slaat het op de woonplaats van Andreus, duidt het op een Mediterraans, of op nog zuidelijker ideaal? En waarom die treiterende herhaling, waardoor ‘zuidelijk’ extra nadruk heeft gekregen? Ik zou er een mooie hypothese aan kunnen hangen dat Andreus met dit woord het verstand van de lezer, en daarmee van de mensenmaatschappij, opzettelijk wil verwarren. Het zou kunnen, maar het lijkt mij te vergezocht. De rest van de strofe lijkt zich te ontrollen als een ware ascese. De spreker begint met het ontkennen van het weten. Wederom steekt de dwaas hier de kop. Kan de dwaas – juist door te laten zien dat hij dingen niet weet – niet tot ware, onbevooroordeelde uitspraken kan komen? Weten is voor de spreker geen noodzaak meer. En ook het zingen is gestopt. Hij ligt alleen nog maar stil. Wellicht in meditatie. Het enige wat voor hem nog waarde heeft, is het licht. Het is bijna alsof hij zichzelf erin verliest.
Maar dit licht heeft behalve dat het spreekt nog een tweede connotatie gekregen, die van ‘wonder’. En niet louter een wonder zoals dat door de kerk erkend wordt, maar een wonder boven wonder. Dit is zowel een verwijzing naar een dwaas kinderliedje over beren, als een haast bovengoddelijke omschrijving.

Het knappe van dit gedicht is dat het afsluit met een statement dat door het voorafgaande van alle overtollige ballast ontdaan is: ‘ik weet alleen maar alles wat ik weten wil’. De pretentie van deze uitspraak is ongehoord. En toch doet Andreus, haast tussen neus en lippen door, in dit lichte, zomerse, haast schijnende gedicht, deze loodzware, existentiële uitspraak waarmee hij ondubbelzinnig zijn positie verankert. Ik ben een dwaas die geniet van het wonderbaarlijke licht, en wat de rest ervan vindt, zal mij een zorg zijn.

Geplaatst in Klassiekers.