Klassieker 88: Paul Marijnis – Bij een boeket

door Edith de Gilde

Meander Klassieker 88

Edith de Gilde bespreekt ‘Bij een boeket’ van Paul Marijnis: ‘[Hij] doet zijn voorgangers uit voorbije eeuwen eer aan. Hij is zich bewust van de schouders waarop hij staat, maar zet in dit gedicht de bewonderde voorbeelden kundig en kunstig naar zijn hand.’ Tot die voorbeelden rekent zij een gedicht van Piet Paaltjens en zelfs de 17e eeuwse dichter Jan Claesz. Schaep.

Bij een boeket

Ik stuur je dit boeket van grijze rozen
(stijlbloempjes die veel langer staan dan echte):
stelen van ijzerdraad in groensajetten kousen,
kroonblaadjes van misschien crêpe de Chine,
zilverdraad en geel fluweel voor harten
die meer verduren kunnen dan het mijne.

Zet ze lukraak in lege waterglazen,
draag ze bij paars met ambergele kralen
en als je in de juiste stemming bent,
probeer dan een paar dauwdruppels te huilen.

Brengt zoveel kunst geen ware tranen boven?
Hun blikken doornen doen de vingers snikken
tot naar behoren op mijn werkstuk is geplengd.
Kunst als bedrog eist list – o grijze ogen
die, zelf zo vaak bedriegers, het bedrog
ontwend zijn en niet zien, wat ik hier heb herkend
in grijze rozen, kuis en decadent.


Paul Marijnis (1948)

Uit: Gillette (1998)
Uitgever: De Arbeiderspers

Nadat Paul Marijnis in 1993 zijn eerste roman De zeemeermin had gepubliceerd, vertrouwde hij Pauline Bax toe dat hij ‘[eigenlijk], heel vroeger, […] dichter [had] willen worden’ (HP/De Tijd, 6 augustus 1993). Om, aldus dezelfde bron, ‘het voorbeeld te volgen van Van Ostaijen, Slauerhoff en Lucebert, hevig door hem bewonderde poëten.’
Vijf jaar later bracht hij Gillette uit. De bundel werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs; Marijnis’ tweede bundel, Roze zoenen uit 2002 kreeg de J.C. Bloemprijs. In juni van dit jaar verscheen weer een roman, De loden schoentjes.

In de gedichten in Gillette is van invloeden van Van Ostayen, Slauerhoff of Lucebert niet veel terug te vinden. Wel is er, zeker in het gedicht hierboven, een echo te horen van een andere door Marijnis bewonderde dichter. Christiaan Weyts, intussen met zijn romandebuut zelf winnaar van de Anton Wachterprijs, vertelt in het Leidse universitaire weekblad Mare, 8 mei 2003: ‘Het eerste dat hij deed toen hij in de jaren zestig Nederlands kwam studeren in Leiden, was een bos witte chrysanten afleveren bij Hogewoerd 63. “De vrouw die opendeed was stomverbaasd. Ik vroeg of ze die bloemen in een vaas voor het raam wilde zetten, als hommage aan de dichter Piet Paaltjens, die daar gewoond had. Achteraf gezien is het een aanstellerig gebaar, maar het is beter dan niks.”‘

Hoewel er een belangrijk verschil is – daarover later meer – hebben de tranen in ‘Bij een boeket’ wel enige verwantschap met die gestort in Paaltjens’ ‘Immortelle XXV’:

Hoor ik op Sempre een waldhoorn,
Of ook wel een Turkse trom,
Dan moet ik zo bitter wenen;
En — ik weet zelf niet waarom.

Vraagt een der werkende lieden:
‘Hoe kan een Turkse trom
Of een waldhoorn u zo roeren?’–
Dan weet ik zelf niet waarom.

Is ‘t wijl in beetre dagen
Een vriend de Turkse trom
Niet onverdienstlijk bespeelde? —
Ach, ik weet zelf niet waarom.

De gedichten komen elkaar tegen in hun zorgvuldig in ironie verstopte melancholie.

‘Bij een boeket’ zou in meer opzichten uit een veel oudere bundel afkomstig kunnen zijn. De grijze rozen zouden zo van oma’s zolder kunnen komen. Ze zijn niet gemaakt van plastic of andere kunststoffen, nee: ijzerdraad, sajetten kousen, crêpe de Chine, zilverdraad, fluweel en blik zijn eraan te pas gekomen. Niet door de natuur, maar wel uit de natuur zijn deze rozen ontstaan. Het gedicht kent, net als dat van Paaltjens, een zorgvuldige opbouw. Het is een begeleidend schrijven bij het geschenk van de kunstrozen die tegelijk het gedicht zelf zijn. In de eerste strofe beschrijft een ik die hier ook de dichter is de rozen. In de tweede krijgt een met ‘je’ aangesproken ander (ontvangster, lezer) een drietal instructies wat ermee te doen. De eerste wordt schijnbaar onverschillig gebracht, de tweede is juist specifiek en esthetisch van aard, de derde, die geen handeling, maar gedrag teweeg wil brengen, verraadt onzekerheid. In de laatste strofe filosofeert de dichter over de ware aard van de rozen, de kunst, het gedicht – en de ander.

Rijm is er op verschillende goed gedoseerde manieren: eindrijm in de laatste twee regels, binnenrijm in de vierde, twaalfde en zestiende regel. Door het hele gedicht heen is zonder dat het opdringerig wordt met assonantie en alliteratie gestrooid. Het is grotendeels geschreven in vijfvoetige jamben die geen keurslijf vormen.
Spel met betekenissen is er in ‘stijlbloempjes’, ‘harten’, ‘dauwdruppels huilen’, ‘kunst’, ‘blikken doornen’ en de snikkende (bloedende) vingers die zich aan de doornen van het gedicht hebben geprikt. De open ogen waarmee de ontvangster/lezer in de kunstig uitgezette val van de dichter loopt, zijn grijs als de rozen en dat is natuurlijk geen toeval. Of is het geen toeval dat de rozen grijs zijn als de ogen? De lijdend-voorwerpszin waarmee het gedicht eindigt (wat … decadent) is grammaticaal dubbelzinnig: ‘kuis en decadent’ kunnen daarin zowel eigenschappen van de grijze rozen als van de ‘ik’ zijn.

Marijnis houdt zich in dit gedicht aan zijn eigen poëtische credo: ‘Poëzie is ongevoelig. Poëzie handelt in klanken, pauzes, ritmes, zoveel mogelijk betekenissen binnen de betekenissen. En het moet concreet zijn. Over God kun je alles schrijven. Maar een appel, ja, die ligt daar. Beschrijf hem maar eens.’ (Weyts, ibidem)  Marijnis’ voorkeur voor het concrete is zijn uitgever niet ontgaan. In de flaptekst wordt gewezen op het verband met een nog oudere periode dan die van de negentiende-eeuwer Paaltjens: ‘In deze bundel bedrijft Paul Marijnis een vorm van emblematische kunst. Het grote verschil met klassieke emblematabundels als van P.C. Hooft of Roemer Visscher, waarin een opschrift, een prent en een moralistisch onderschrift samen een embleem vormen, is dat bij Marijnis de prent en een expliciete moraal ontbreken. Het beeld is het gedicht zelf. (…)’

Nu bestond er ook in de zeventiende eeuw al een variant op het embleem waarbij het woord de functie van de prent overnam. De digitale bibliotheek van de Nederlandse letteren geeft een voorbeeld van zo’n woordemblema. Het is van de hand van Jan Claesz. Schaep. In de eerste tien regels wordt de ‘prent’ getekend, daarna volgt het ‘onderschrift’:

Wanneer men op een spijker slaet,
Die boven op een houtje staat,
De spijker sachjes inne glijt,
Soo lang men recht op ‘t hoofje smijt;
Maer geeft men eens een slimme klop,
En juyst niet recht daer boven op,
Soo word hy datelijk soo krom
Dat hy seer qualik wil weer om;
Hoe dat men slaet daer blijft een bocht,
‘t Welk ik wel somtijds heb besocht.
——— Soo even dunkt my dat ‘et gaet,
Wanneer men heeft een vriendt of maet:
Hy blijft (soo ‘t schijnt) soo lang een vriendt,
Als men in all’s hem willig dient,
Soo lang als men hem vriendtschap doet,
En dat hem niet als goedt ontmoet.
Maar geeft men eens een slimme slach,
(Het zy dan hoe het komen mach)
En dat men juyst de Spijker niet
Smyt recht op ‘t hooft, soo ‘t wel geschiet,
En doen niet altijd dat hem lust,
Soo wordt de vriendtschap uitgeblust,
Ja, hy wordt daerom soo ontstelt,
(Schoon dat men hem seer weynig quelt)
Dat hy (hoe dat men smeekt en vleyt)
Weer qualik komt tot vriend’likheyt,
Daer blijft in hem (hoe dat men praet)
Een wrok, en ‘t worteltje van ‘t quaedt.

Uit: Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie van de 17e en 18e eeuw in duizend en enige gedichten, 1986, p. 589-590

Schaep vergelijkt een krom geslagen spijker met een niet al te grote misstap die tot het verbreken van een vriendschap leidt. ‘Mensen dulden weinig van elkaar’ is de gedachte die aan het concrete beeld van de spijker wordt opgehangen. Als er een morele opvatting achter zit (mensen moeten elkaar beter verdragen en meer vergeven) dan wordt die niet expliciet verwoord. Wat is er bij Marijnis anders?

Het gedicht is persoonlijker dan dat van de zeventiende-eeuwer en gecompliceerder dan dat uit de negentiende eeuw. Nogmaals de flaptekst van Gillette: ‘(…) De gedichten werken als definities van de beschreven objecten. Maar tussen de regels door zijn het – voor wie heel precies wil kijken – ook verslagen van gemoedstoestanden en minieme portretjes van de dichter.’
Inderdaad laat de dichter zich in ‘Bij een boeket’ zien. Hij is aanwezig in zijn kunstig, maar ook kunstmatig gemaakte werk en beoogt daarmee de bedriegster, op zoveel dubbelzinnigheid niet verdacht, te bedriegen Met zijn uit klanken, pauzes, ritmes en (dubbele) betekenissen opgebouwde werkstuk wil hij de lezer tot tranen toe bewegen. Anders dan bij Paaltjens is het niet de dichter die weent om een verloren vriendschap; aan het eind van de twintigste eeuw laat de dichter het snikken over aan zijn lezer. Een plengoffer in tranen is het doel, niet aan de vriendschap maar aan het bedrog dat kunst heet. Van een afstand, zijn doortrapte gedrag beseffend, laat de dichter de kuise, decadente rozen waarmee hij samenvalt hun werk doen. Of het lukt? De tweede strofe laat zien dat de dichter er niet helemaal gerust op is. Ook daarin laat hij zich kennen.

Paul Marijnis doet zijn voorgangers uit voorbije eeuwen eer aan. Hij is zich bewust van de schouders waarop hij staat, maar zet in dit gedicht de bewonderde voorbeelden kundig en kunstig naar zijn hand.

Geplaatst in Klassiekers.