Klassieker 98 : Hans Faverey – Ik sla een hoek om.

door Joris Lenstra

Meander Klassieker 98

Joris Lenstra waagt zich aan ‘Ik sla een hoek om.’, een vroeg gedicht van Hans Faverey: wat staat hier eigenlijk? Je kan de woorden wel lezen, maar wat zeggen ze? Waar gaat dit over?

*

Ik sla een hoek om.
Zo bijt een beitel.

Ik tref een hand aan.
Zo verschrompelt een roos.

Ik leer jagen op liefde.
Zo hijgt een zaag

en ik zie de zee.
Zo word ik oud.

Houd ik mijn hart vast?
Denk ik aan wierook?

Zo huivert een hamer,
kantelt een stad.

Hans Faverey (1933-1990)

Uit: Verzamelde gedichten, De Bezige Bij, Amsterdam 2000 (ed. Marita Mathijsen)

Wanneer we dit vroege gedicht van Hans Faverey lezen (het werd voor het eerst gepubliceerd in Podium 16, juli 1962 en in de afdeling ‘Ongebundeld’ opgenomen in Gedichten 2 uit 1972, herdrukt in 1980), dan besluipt ons meteen de primaire vraag: wat staat hier nu eigenlijk? Ik kan de woorden wel lezen, maar wat zeggen ze? Waar gaat dit over?

Eén manier om hier achter te komen is om verschillende niveaus te onderscheiden. Op het meeste gemakkelijke niveau heeft een reeks gebeurtenissen plaats: ‘ik sla een hoek om. Ik tref een hand aan. Ik leer jagen op liefde en ik zie de zee. Zo word ik oud.’ De samenhang is nog steeds schimmig, maar het is in ieder geval duidelijk wat er gebeurt: iemand loopt, ontmoet, leert, ziet, en uiteindelijk beseft hij iets. Met wat psychologie van de koude grond zou je hierin een patroon kunnen zien: we reizen rond over deze aardbol, ontmoeten er mensen, leren daarvan, zien dingen, en verkrijgen hierdoor bepaalde inzichten. Er zullen mensen zijn die beweren dat dit het gehele leven samenvat.

Dan is er het niveau van de metaforen: ‘Zo bijt een bijtel. Zo verschrompelt een roos. Zo hijgt een zaag. Zo huivert een hamer, kantelt een stad.’ Op twee uitzonderingen na zijn het allemaal werktuigen. De twee uitzonderingen zijn: de roos en de stad. De roos, van oudsher wellicht de meest gebruikte vorm van beeldspraak in de poëzie, staat voor schoonheid, voor liefde, voor pathos. Maar met haar doornen staat zij ook voor de andere kant: voor het prikken van hen die proberen haar te pakken. Het mooie van de roos is natuurlijk dat aanraken wel kan, maar dat pas bij het beetpakken en plukken de doornen zich doen voelen.
Ook de stad is een vertrouwd beeld, met zowel een positieve als een negatieve lading. Zij is woonplaats voor haar vele bewoners, die zij geborgenheid en een thuis biedt, maar in de moderne cultuur staat de stad ook voor het verlies van individualiteit en identiteit, voor ontpersoonlijking dus.

Tot slot is er het niveau van de contemplatie: ‘Houd ik mijn hart vast? Denk ik aan wierook?’ Interessant genoeg verbinden deze vragen zich haast meteen met de laatste van de reeks van gebeurtenissen, namelijk het verkrijgen van inzicht. Ieder inzicht begint met een vraag, en biedt daar een antwoord op. Hier is in het gedicht zelf dus sprake van het proces van het verkrijgen van inzicht. Echter, zonder dat dit inzicht wordt verwoord. De vragen worden niet beantwoord.

Op deze manier hebben we in ieder geval enig inzicht gekregen in de opbouw en indeling van dit gedicht en hebben we nieuwe samenhangen ontdekt tussen de woorden en begrippen. Wanneer we met dit open vizier, en zonder de illusie alles te zullen of willen verbinden en verklaren, het gedicht nogmaals lezen, dan valt op dat er in het gedicht een duidelijke structuur zit.

Iedere gebeurtenis resoneert met een bepaalde beeldspraak. De eerste vier strofen gaan zo paarsgewijs voort. De functie van een metafoor is om een meerwaarde te verlenen aan hetgeen er verbeeld wordt. In dit geval geeft steeds de tweede regel een extra lading aan de eerste regel. Zoals een beitel bijt, zo sla ik een hoek om.

Normaal gesproken kan een beitel niet bijten, maar hier krijgen alle werktuigen vreemde eigenschappen mee. De beitel bijt, de zaag hijgt, en de hamer huivert. Deze eigenschappen hebben gemeen dat ze alle primitief zijn, en niet specifiek bij de mens horen. Sterker nog, ze hebben een bepaalde dierlijke connotatie. Deze primitieve elementen, gecombineerd met het eerder beschreven patroon, verlenen een bepaalde levensnoodzaak aan de instrumenten en aan dit gedicht.
Wat deze instrumenten ook gemeen hebben, is dat ze alle met bouwen te maken hebben. Bijvoorbeeld het bouwen van een stad, een thuis. Of, figuurlijk, van een inzicht: een opeenvolging van ervaringen opgebouwd tot kennis.

Na deze eerste vier strofen komt de strofe die bestaat uit de twee vragen die de spreker van het gedicht stelt. Aan wie hij deze vragen stelt is onbekend. Aan zichzelf, aan jou en mij als lezer, aan een onbekende derde? De vragen worden echter niet beantwoord. Er wordt geen inzicht verkregen en geen kennis opgebouwd.

Het gedicht valt weer terug naar het niveau van de metaforen in de laatste strofe, die qua structuur de indruk wekt antwoord te geven op de vragen, maar qua betekenis met deze vragen niets te maken lijkt te willen hebben. Er volgt geen conclusie of argumentatie. Er volgt een metafoor ingeluid met het bedrieglijke woordje ‘zo’. Het gaat hier om een vergelijking. En juist dat waarmee er vergeleken wordt, juist dat wat het daadwerkelijke antwoord op de vragen in zou houden, wordt niet uitgesproken. Het is alsof wij in een poëtische spiegel kijken naar de antwoorden, alleen is deze spiegel een kermisspiegel die het antwoord vervormd heeft tot een huiverende hamer en een kantelende stad.

Nu we echter weten dat opbouwen in dit gedicht heel belangrijk is, en dat juist de stad – die door mensenhanden uit de aarde opgebouwde woonplaats – kantelt, kunnen we in ieder geval begrijpen dat het antwoord niet erg positief zal zijn geweest. Ook de hamer die er bij betrokken is geweest, huivert. Het heeft er veel van weg dat de spreker inderdaad beter zijn hart vast kan houden.
Maar waarom zou hij dan aan wierook denken? In veel religies wordt wierook gebruikt bij plechtige diensten. In het katholieke geloof wordt wierook gebruikt bij begrafenissen. Maar wierook wordt van oudsher ook gebruikt als offer om de goden gunstig te stemmen.

Dus, wordt de wierook hier bedoeld om associaties op te roepen met een aankomende begrafenis? Misschien de begrafenis van de spreker, of de noodzakelijke begrafenis van ieder mens aan het einde van zijn leven? Is dat het allerlaatste, noodzakelijke en bittere inzicht dat de mens zichzelf verschaft?
Of wordt wierook hier bedoeld als offer aan de goden om bij hen bescherming op te roepen? Om aan te geven dat het allerlaatste, noodzakelijke inzicht bij hen rust, en niet bij de mens, en alleen op zulke wijze aangeroepen kan worden?

Ik zou het hier niet weten. Wierook is altijd al erg vluchtig geweest en heeft eerder als doel gehad om te bedekken en verdoezelen, dan om te verhelderen en verklaren. Daarin heeft zij wel wat weg van de poëzie. En misschien wordt hier bedoeld dat het juist aan ieder van ons is om deze vraag voor onszelf te beantwoorden.

Kortom, zonder volledig duidelijk maken wat hier gebeurt of waar het allemaal precies over gaat, biedt het gedicht suggesties en associaties. Er wordt veel in verwezen, geduid, maar niets wordt uitgesproken of bij naam genoemd. De afstand tussen de woorden en begrippen onderling is bij tijd en wijle groot. Hierdoor is het mogelijk om zelf tussen de regels door te dwalen, en zelf onze verbeelding eraan toe te voegen. Zo vind ik: ‘Ik tref een hand aan. / Zo verschrompelt een roos.’ een erg mooie combinatie. Droef, en tegelijk erkenning biedend aan het feit dat het zo moet zijn. De hand en de roos kunnen niet samengaan. De hand blijft in leven, de roos niet. De hand is sterker, en nog steeds droevig in zijn eenzaamheid. Had hij maar ook een bloem willen zijn, en geen hand, die dan wel van alles maakt, maar ook stukmaakt.

In zijn geheel komt dit gedicht op mij over als een grote, rommelige opeenhoping van taal, van woorden, van mensenlichamen, herinneringen, inzichten. Een berg die langzaam naar de hemel klimt, waaruit plots losbarst: ‘Houd ik mijn hart vast? / Denk ik aan wierook?’ en die daarna verder zal groeien, even Babylonisch als Dantesk.

Geplaatst in Klassiekers.