Gedichten

Dode vissen

De voetstappen van de nacht
op de veranda van de vergeten lente
zijn ongetwijfeld het neuriën voor het onvindbare.

Verspreid
de verloren dagen
over de gouden golven van de zon.

De nacht is berouwvol dichtbij,
de blikken van mijn zusters
zijn nog altijd in afwachting
en het zout dat de gedachten van de zee
bezig houdt, grijnst
pronkend de dode vissen toe:
"Jullie geheim is veilig bij mij"

Verspreid
de verloren dagen
over de gouden golven van de zon.

De nacht is zo berouwvol dichtbij.

 

Onderweg

Met een vlinderjas
twee goudvissen
en een koffer vol blauw
stap ik de stilte in;
reis rond in de lucht.

Af en toe logeer ik bij de wind
wandel ik met de maan
of schommel op een blad.

Niets is me afgenomen
behalve alles.

Ik reis naar binnen en buiten
dichtbij gefluister en ver van kabaal.
Ik reis dromerig naar mijn einde:

het vliegen.
 

Zonder geel, rood en bruin

Gesloten vensters doen mij
denken aan het verdriet
van de sterrenloze hemel
aan de bruiloft van de doden
aan de thuisloze herfst
zonder geel, rood en bruin.

Gisteren dat in niets op vandaag leek
sloeg de vensters voorgoed dicht,
de morgen die de dood van vandaag uitzwaait
opent de gesloten vensters van gisteren.
 

Herschepping

De zon is nog niet op.

Ik neem afscheid van de tuin
die naar hemeltranen verlangt
en de waslijn die altijd zucht.
Ik groet de kievitskooi van de buren,
de paardenbloem, het gevecht
tussen rode en de zwarte mieren
de pyjama van mijn jeugd, de hoelahoep.
Ik gooi alle seizoenen weg en
de regenboog schrap ik uit het woordenboek.
Ik vlucht van de besproeide veranda, de eikenboom
de speelse spelletjes van toen, het gevoel van vreemdheid

van haar, van hem
en bovenal van mijn moeder.

Ik val in de vijver van
volwassenheid en verdrink.
 

Dwaas

Vleugels die ik niet heb wil ik breken,
het vliegen dat ik niet kan, stoppen
ik wil thee drinken met
de noga die ik niet lust
mijn ogen dichtplakken van licht
afscheid nemen en slapen.

Ik wil terug naar het verloren moment
naar de vergeten lach
naar de tuin en de vijgenboom.

Maar ik ga huiverig voorwaarts
naar het blinde vooruitzicht,
het voorspelbare toeval,
het stille gezelschap,
naar morgen met de hoop een tros druiven
te plukken in het ochtendgloren.
 

Geplaatst in Gedichten en getagd met .