(8) Poetry slam

Wat is poëzie? Hoe moet zij gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays wordt de poëzie vanuit verschillende invalshoeken bekeken. De zoektocht naar het wezen van de poëzie staat hierin centraal. In deel 8 – alweer – ga ik in op dat wonderbaarlijke nieuwe fenomeen dat maar niet volwassen poëzie schijnt te kunnen produceren, maar toch schoorvoetend aan populariteit wint en volgens hen die eraan meedoen een ware hausse is: de poetry slam.
 

Deel 8

In de Klassieke Oudheid was het een goed gebruik om tijdens zeer uitgebreide diners te luisteren naar Griekse redenaars die klassieke werken reciteerden. Werk van Homeros, maar ook van recentere grootse tragedieschrijvers als Aischylos en Sophokles, werd vakkundig voorgedragen. Stel je het mooie, zangerige Grieks voor, de fraaie beeldenreeksen, de emotionele passages. En dat allemaal tijdens het aangenaam keuvelen en genieten van de meest exotische spijzen en smaken. Dat is met niets te vergelijken!
Ook toen was taal al een belangrijk en wonderbaarlijk instrument. Eén woord kon een hele wereld bevatten en verhalen konden de toehoorders meeslepen naar een geesteswereld. En omgekeerd konden door woorden wezens uit de geesteswereld onze wereld in gehaald worden en zelfs worden beheerst. Maar zoals dat gaat in de geschiedenis, raken zaken in vergetelheid om later weer opgepikt te worden. Zo richtten de rederijkerskamers in Holland zich op dezelfde kwaliteiten. Op bekwame wijze werden er door de leden bestaande gedichten voorgedragen. De beste voordragers ontvingen prijzen en mochten zelfs op tournee.

Met de komst van de boekdrukkunst ontstond er langzaam maar zeker een andere literatuur. Dit is vergelijkbaar met de manier waarop er nu door de televisie en film een nieuw soort literatuur ontstaat. Een literatuur die zich richt op het korte, het bondige. Die meteen wil laten zien en ervaren, net zoals beelden ons meteen tonen wat er speelt. Een literatuur die ons uiteindelijk de grenzen van het beeld en de veelzijdige kracht van het woord zal laten zien. Maar dat is een ander verhaal.
De boekdrukkunst bracht een ander cultureel geheugen de wereld in. Niet langer was het enkel aan godsdienstige handen voorbehouden om belangrijke zaken vast te leggen. Het gedrukte woord kon makkelijker verspreid en gelezen worden. De noodzaak om verhalen mondeling over te dragen ten einde kennis en identiteit te bewaren, was veel minder geworden.
Hierdoor zijn schrijvers op een andere manier lezers van hun eigen werk geworden. Werd vroeger alles door het oor gekeurd, tegenwoordig schrijft de schrijver veel meer voor het oog. Belangrijke vragen zijn: wat is de typografie, loopt de zin lekker zo, hoe is de bladspiegel, wat is het lettertype? De vorm van het gedicht op papier is veel belangrijker geworden. Sterker nog, vaak kun je alleen nog maar aan de vorm van een tekst zien of het om een gedicht gaat of niet. En dan ga ik hier nog voorbij aan de experimenten aan het einde van de negentiende eeuw van de Franse dichter Mallarmé, of aan de typografische experimenten van de overbekende Vlaamse dichter Paul van Ostaijen, die de grenzen van het woord op papier opzocht.
Door deze ontwikkeling werd echter een vitale navelstreng doorsneden: die tussen woord en adem. Het woord kon plots blijven bestaan zonder degene die het uitgesproken had. En mensen konden teksten lezen zonder degene te horen die ze bedacht heeft.
En toch praten wij nog steeds met de lucht in onze longen en worden de woorden nog steeds gevormd middels het strottenhoofd. Net zoals mensen dat al duizenden jaren lang doen. Wij gebruiken dagelijks die wonderbaarlijke instrumenten om dat wat binnen onszelf opgesloten zit, naar buiten te brengen en over te brengen op een ander.

In de jaren zestig werd er opnieuw teruggegrepen op het verleden. Grote groepen mensen wilden de moderne, technologische samenleving – of technocratische zoals zij die noemden – achter zich laten ten einde te leven volgens de eigen natuurlijke wetten en regels. In de poëzie werd teruggegrepen op de orale traditie. De harmonie tussen mens en woord kwam weer centraal te staan en de boekdrukkunst – dat technologische staaltje woordverbastering – werd overgeslagen. Happenings en Be-ins werden georganiseerd. Gedichten werden live voorgedragen, vaak tijdens muziekfestivals. Het contact tussen dichter en lezer werd directer. Als gevolg van deze ontwikkelingen werden er poëziecafés opgericht. Dichters traden op naast muzikanten en een tijdlang was er zelfs sprake van poppoëzie. Een van die cafés was het Nuyorican Poets Café in New York, een berucht dichterscafé waar je opgetreden moet hebben.
Deze ontwikkelingen betekenden een grote verandering voor de verstarde poëziescene, die zich toen hoofdzakelijk afspeelde op universiteiten, in kleine tijdschriften en tussen de harde kaften van gedrukte boeken op planken. De vele levendige stemmen brachten een nieuw geluid in de door studeerkamers gedomineerde dichtkunst. Het moet vergelijkbaar zijn geweest met de lange Rimbaud die beschonken ‘merde’ en ‘cul’ schreeuwde tijdens de besloten bijeenkomsten waar Verlaine hem naartoe bracht om zich aan de dichterlijke stemmen van het moderne Parijs te laven.
Het is zo dat ieder woord – zelfs als het geschreven wordt – zijn oorsprong heeft in de adem van degene die het neerschrijft en gewogen wordt door het oor van diegene die het opschrijft. Iedere regel wordt in eerste instantie opgebouwd volgens de adem van degene die schrijft terwijl hij schrijft. De Amerikaanse dichter Charles Olson realiseerde zich dit en schreef er in de jaren vijftig een kort en zeer invloedrijk essay over. De beats droegen het verder uit.

Dit is in het kort het verhaal van de wedergeboorte van de voordrachtspoëzie in de westerse cultuur in de twintigste eeuw. Eind jaren tachtig besloot Marc Smith om de voordracht wat spannender te maken voor de toeschouwers en voerde de spelregels in die heden ten dage nog steeds gelden bij de poetry slam. Zo duurt een performance maximaal drie minuten, zijn rekwisieten niet toegestaan en vallen er na iedere ronde een aantal deelnemers af. De afvallers worden aangewezen door een jury. Maar ook het publiek spreekt zijn voorkeur uit. Uiteindelijk is er dus zowel een jurywinnaar als een publiekswinnaar.

Ik wil hier geen lans breken voor de poetry slam, voor de manier waarop een nieuwe, jonge generatie de poëzie naar zichzelf toe heeft getrokken en er voor zichzelf vorm aan heeft gegeven. Ik wil hier niet benadrukken dat de poëzie die voor poetry slam geschreven is, meer de nadruk legt op de identiteit van de dichter/performer en minder gebruik maakt van de kunstvormen inherent aan de poëzie. En ik wil hier ook niet ingaan op het feit dat de beste slammers die ik ooit gezien heb, professionele acteurs waren die in Londen op doorreis veel slams aandeden. Ze hadden op toneelacademies in Amerika gezeten en waren als geen ander in staat om een tekst volledig over te brengen. Maar ze waren niet even bekwaam in het schrijven ervan. Ik wil, tot slot, ook niet ieder slam-dichtwerk op een weegschaaltje leggen en met een zuur gezicht vergelijken met ‘De ballade van de gasfitter’ van Achterberg, ‘Cheops’ van Leopold, ‘Awater’ van Nijhoff of, wellicht zelfs met een kort versje van Gorter, van Andreus, of, hemel, een politiek gedicht van Henriëtte Roland-Holst. Het is niet van belang, hoewel men schijnbaar wel graag die discussie opzoekt. De ouderen zien de geringe zwaarte van de slamgedichten als hun grote verdediging tegen de kracht van de tijd, de vergankelijkheid. En de jongeren slaan, terecht, terug, omdat zij niet als volwaardig geaccepteerd worden. Maar zo gaat het dus al eeuwen, en niet alleen in de poëzie.
Wel is het opvallend dat er niet één uitgever is die zich opwerpt als slam-uitgever. Wellicht staren ze elkaar allemaal aan, met de handen in de zakken, pootjebadend in dezelfde Amsterdamse grachten. Dat is jammer, want de poetry slam geeft zeker poëzie om gehoord te worden. Is het niet op papier, dan wel op dvd als live-opname.
De grootste verdienste van de poetry slam is dat zij de poëzie gescherpt heeft. Niet alleen omdat zij benadrukt dat poëzie in de mond gevormd wordt, met het oor gehoord wordt en een toeschouwer behoeft. Maar ook omdat zij een nieuwe toon neerzet. Niet langer worden sullige dichters geaccepteerd die mompelend achter hun katheder hun uur uitzitten. Niet langer wordt hier braaf voor geapplaudisseerd. Men is verwend geraakt en mag daarom beter verwachten. Dat punt hebben zij, de slammers, onmiskenbaar nu al gescoord.

In deel 9 zal ik ingaan op het solitaire en mysterieuze proces van het schrijven zelf. Is dat inderdaad zo’n solitaire bezigheid, alleen achter het bureau, of luistert er iemand mee?

Geplaatst in En verder.