Het gedicht een reis, het dichten een levenswijze

Lia Spitters (1957) schrijft droomgedichten: ze bestaan uit associatieve beelden die door de woorden in surrealistische kleuren aan elkaar worden geregen. Met dit weerbarstige werk publiceert ze nu in Meander.

Een dichterschap begint niet bij een bundel. Wanneer begon het jouwe?
Uit mijn herinnering, maar niets is zo bedrieglijk: ik was een jaar of tien, na het avondlijk ritueel bij heldere luchten. Eerst vanuit mijn bed onder het raam naar de sterren kijken tot ik het te koud kreeg en dan met het schemerlampje onder de deken wat krabbelen in een klein boekje. Mijn ouders moesten denken dat ik sliep. De volgende ochtend de krabbels netjes overschrijven en zie daar: een gedicht! Ik weet niet meer wat het precies was, maar het ging vast over reizen. Ik heb altijd de wens gehad verder de wereld in te kijken, meer te proeven, te horen, te ruiken. Toen waren het nog dromen, niet met het idee dat ze ooit werkelijkheid zouden worden. Later heb ik ze gelukkig in de praktijk kunnen brengen en uitgebreid kennisgemaakt met andere culturen. Reizen is een inspiratiebron gebleven, en een centraal thema in mijn poëzie.

Hoe is je poëzie het best te omschrijven, denk je?
De zinnen die ik schrijf blijken toch maar woorden te zijn, een vinger wijzend naar de maan. De maan zelf blijft uiteindelijk buiten beeld. Poëzie is wat je ziet als je bij mij naar binnen kijkt, en mij kun je niet vangen. Maar mijn gedichten zijn wel te duiden, in de zin dat de lezer of toehoorder er een gevoel of beeld bij krijgt. Of dat hetzelfde beeld is dat ik heb als dichter, is niet zo belangrijk. Het is juist boeiend dat poëzie je de ruimte biedt om je eigen gang te gaan, je eigen reis te maken. Het is een uitdaging je in die reis door de woorden te laten meevoeren.

Wat probeer je vooral in woorden te vangen?
Een gedicht is toch die vingerwijzing waarbij de dichter en de lezer een eigen beeld krijgen van de maan? Misschien is het wel een nieuwe maan! De werkelijkheid is niet te vangen. Dat is precies het boeiende en verrassende: de nieuwe wereld die opengaat wanneer de werkelijkheid juist niet zichtbaar is. Net zoals je een gedicht waar je niet uitkomt een poos laat liggen om het dan weer te lezen, en zie: daar is een ander woord, een andere komma, witregel; de maan vanuit een ander gezichtspunt. Zo is dichten een levenswijze, is dichten leven.
Het aardige is: het is dan ook jouw leven. Bij de poëziewerkplaats in Delft, waarvan ik al een aantal jaren lid ben, zien we onmiddellijk, zonder de naam te weten, van wie een gedicht is.

Een poëziewerkplaats, wat moeten we ons daarbij voorstellen?
De poëziewerkplaats van de Vrije Akademie Delft bestaat uit een groep dichters die onder begeleiding van een meer ervaren dichter (nu is dat Anne Vegter) probeert eigen en andermans werk naar een hoger niveau te tillen. We werken aan de hand van een specifieke opdracht: dat kan een gegeven zin zijn, een woord, een titel of een eerder verschenen gedicht. Na twee weken bespreken we elkaars werk, waarbij we zoveel mogelijk aspecten bekijken: van ritme tot woordgebruik, van vorm tot de helderheid van het opgeroepen beeld. Omdat het om zeer recent werk gaat dat nog dichtbij je staat, is het belangrijk dat er een sfeer van vertrouwen is waarin alles gezegd kan worden vanuit een positief kritische invalshoek. Soms werken we samen met andere afdelingen van de Akademie, bijvoorbeeld door gedichten te schrijven bij schilderwerken.

Kun je een indruk geven van je werkwijze? Hoe verloopt je schrijfproces?
Er zijn gedichten die klaarliggen en die ik alleen maar op hoef te schrijven, maar die zijn zeldzaam. Vaker schieten me opeens regels of woorden te binnen, maar dat blijken vaak de darlings te zijn die uiteindelijk uit het gedicht moeten verdwijnen. Meestal schuif en schrap ik, heb ik tijd nodig om afstand te kunnen nemen. Bij dat schrappen helpt de werkplaats me vaak: de collega-dichters halen juist die woorden uit het gedicht waar ik zelf al over twijfelde, maar waar ik wel aan gehecht was. En soms kom ik tot de conclusie dat de vorm niet geschikt is om datgene over te brengen wat ik wil. Dan is het gewoon opnieuw beginnen.

Waar haal je je inspiratie vandaan?
Uit de krant, gesprekken die ik opvang, teksten uit boeken en dichtbundels, en beelden van televisie tot kunst. Wat betreft dichters komen er een paar namen in me op: Philip Hoorne, Anneke Brassinga, Judith Herzberg – maar vaker zijn het losse gedichten die indruk maken, enkele gedichten uit een oeuvre die blijven hangen. Verder zijn mijn werkplaatsgenoten een belangrijke bron van inspiratie. We buigen ons over hetzelfde thema en dichten zo een veelheid van invalshoeken op dat thema bij elkaar. Dat is ongelooflijk verfrissend en verrijkend.

Treed je vaak op met je poëzie en wat is jouw stijl wanneer het om voordracht gaat?
Ja, ik treed regelmatig op. Ik heb voorgedragen in literaire cafés in Delft en Rotterdam, in de bibliotheek van Delft en op een poëziemiddag in een botanische tuin in Rotterdam, met als thema de natuur. In mijn woongebied is jaarlijks het evenement ‘Poëzie in de Polder’, ook daar ben ik van de partij geweest. Hoogtepunt van 2007 was het optreden bij Onbederf’lijk Vers in Nijmegen, waar ik het podium mocht delen met Cees Nooteboom. Wij hebben beiden het reizen als belangrijke inspiratiebron en dat was dan ook een bijzondere ervaring.
Ik heb een rustige manier van voordragen. Mijn werk is niet altijd eenvoudig te lezen. Sommige gedichten komen bij een voordracht niet tot hun recht, omdat ze de toehoorders te weinig gelegenheid bieden de woorden op hen in te laten werken. Natuurlijk draagt presentatie en intonatie wel bij aan het begrip. Het lezen en luisteren is een gezamenlijke onderneming van dichter en toehoorder. Interactief noem je dat toch?

Geplaatst in Interviews.