'In een goed gedicht wordt het onnoembare uitgesproken'

Peter W.J. Brouwer (1965, Eindhoven) is vertaler en schrijver. Hij woont in Velp met zijn vrouw, zoon en dochter. Hij treedt regelmatig op en publiceerde in tijdschriften als Dighter, Krakatau en Gierik en Nieuw Vlaams Tijdschrift. Daarnaast jureert hij diverse schrijfwedstrijden, waaronder de Guido Wulmsprijs en de Hendrik Prijs-prijs.

Het gedicht ‘Over grootouders’ lijkt me voor jou belangrijk te zijn. Schreef je dat uit persoonlijke ervaring?
Mijn grootouders zijn al enige jaren dood, maar ik droom nog wel eens over hen en dan lijkt hun verschijning niet aan een bepaalde tijd gebonden. ‘Over grootouders’ ontstond in dat schemergebied waar beelden van ‘elders’ het ‘hier en nu’ binnendringen. Hun aanwezigheid vormde een ideale ervaring waarbij woorden uit de kindertijd zich onthechtten en een eigen leven zijn gaan leiden. Uiteindelijk ontstond dit gedicht waarin ik de beelden, die er altijd al waren, heb overgenomen en opnieuw heb vormgegeven: een appelboom tot klokhuis bedenken is allereerst een ‘talige’ vondst die vervolgens een nieuw beeld oplevert.

Zijn er nog andere aanleidingen waardoor jij aan het schrijven slaat?
Ik heb zo vaak geprobeerd om er speciaal voor te gaan zitten, maar bij mij ontstaat het schrijven meestal onder spanning van andere bezigheden. Ook door een gemoedstoestand dringen scherpe regels zich soms aan me op. Of ik bent met iets eenvoudigs bezig en er doet zich een verrassend idee aan me voor waar ik dan toch voor moet gaan zitten. Zo ongeveer.
Natuurlijk gaat het altijd om een persoonlijke ervaring; het is altijd autobiografisch, direct of indirect en vaak tegen beter weten in. Gedichten over tijd en ‘altijd’, de dood die iemand heel stilletjes komt halen, of een liefdesrelaas dat verkeerd afloopt. Het gaat over een ander, maar uiteindelijk over mezelf. Ik kan een muze nemen om aan het schrijven te raken, maar ik ben toch de persoon die het allemaal bedenkt en beschrijft. Ik denk: dit moet gezegd worden, en dan schrijf ik het op. Of ik denk op een dag: ik heb dit zus of zo beleefd en dat was uniek. En al heb ik er geen woorden meer voor, ineens zie ik het in een regel voor mijn ogen ontstaan.

‘Wanneer je poëzie gaat benoemen, onttrekt het zich aan je.’ Bij het inzenden van je gedichten antwoordde je met deze stelling op onze vraag wat poëzie is. Wat bedoel je daar precies mee?
Poëzie heeft de merkwaardige eigenschap dat de inhoud van een gedicht de lezer bekend en tegelijk vreemd kan voorkomen. Alleen al in vorm is ze, in vergelijking met proza, heel gecomprimeerd. Het moet zich allemaal in enkele regels afspelen, het moet in luttele regels gezegd. Maar die schaal is bedrieglijk. Een verhaal laat zich nog verklaren, benoemen, er is altijd wel iets waar je de vinger achter kunt krijgen, waarvan je zegt: kijk, het thema. Maar in de poëzie bestaan er gedichten waarin de boodschap zich onttrekt zodra je haar wilt benoemen.
In een goed gedicht wordt het onnoembare uitgesproken. Wanneer je het een naam wilt geven, vlucht het voor je uit. Het stroomt weg. Wanneer je een gedicht leest, ontvouwt de taal zich in beelden, maar die beelden zijn niet altijd ‘van hier’. Iets bevreemdt, ontroert, of verontrust. Rutger Kopland heeft in die context eens het onderscheid ‘geestelijke wereld’ versus ‘reële wereld’ gemaakt. Dat betekent dat beelden van ‘daar’ in het idioom van ‘hier’ belanden.
Als dichter vertel ik je waarschijnlijk niets nieuws. Ik kan je de dingen die je weet of die jij vermoedt, of waarnaar je nieuwsgierig bent wel opnieuw vertellen, op mijn manier en in nieuwe zinnen. En wanneer jij dan denkt: ‘hé, dat is …’, onttrekt het zich alweer aan je.
Dat is wat ik bedoelde: we voelen en vermoeden antwoorden meer dan dat we het zeker weten. Antwoorden roepen nieuwe vragen op, dat is een essentieel kenmerk van poëzie.

Je treedt af en toe op. Vind je dat al je gedichten voor het podium kunnen dienen of heb je voor optredens een speciale selectie gedichten?
Ik ben niet in de eerste plaats een performer en al helemaal geen podiumbeest. Ik heb wel het voordeel dat ik als muzikant voor publiek heb gestaan, waardoor ik iets begrijp van een spanningsopbouw. In heb laatst in Amsterdam opgetreden, op een open podium, en daar kreeg ik het publiek stil. Dat had alles te maken met de keuze die ik vooraf had gemaakt en waardoor ik overtuigend kon overkomen.
Misschien kan een rasperformer om het even wat voordragen. Onlangs zag ik iemand ‘De blijde boodschap’ van Gerard Reve met veel elan voordragen. Hij deed dat helemaal niet onverdienstelijk, met humor en de juiste dictie. Toch had ik een dubbel gevoel bij de vrijblijvendheid waarmee hij voordroeg.
Heb je Ingeborg Bachmann wel eens zien optreden? Zij bracht haar werk alsof het een noodzaak betrof, alsof haar hele wezen ervan afhing. Ik vond dat leerzaam. Ik vind het belangrijk om een gedicht voor te dragen dat geen enkele vrijblijvendheid in zich draagt. Dat gedicht moet bovendien over mij gaan, het moet mij op het lijf geschreven zijn, dat ben ik en als ik het voordraag moet dat zo gebeuren dat het jou stil maakt. En het moet uitnodigen om het te gaan lezen en opnieuw te gaan lezen.

Je speelde ook professioneel piano, begin jaren negentig. Je stopte toen met het schrijven van gedichten. Hoe verhoudt het muzikale zich met het schrijftalent?
Ik ben een multitalent in die zin dat ik naast het schrijven een muzikaal talent heb en daarnaast ook niet onverdienstelijk schilder. Maar ik merk dat ik als schrijver de lat automatisch hoger leg. Hoe meer ik op het muzikale vlak vorderde en lof ontving vanuit professionele hoek, des te meer ik me met de teksten of onvolkomenheden in teksten van anderen ging bemoeien. Dat is toch een wat vreemde reactie, vind je niet? Tot ik op een punt belandde waar ik ook mijn onvolkomenheden als muzikant leerde inzien en begreep dat ik eigenlijk liever wilde schrijven. Ik heb toen bewust een keuze gemaakt, en sta daar nog steeds achter. Ik maak nog steeds muziek, maar heb niet meer die ambitie.
Wat ik ook heb ingezien is dat talenten zich niet noodzakelijkerwijs op één niveau bevinden: iemand is niet ‘simpelweg’ een dubbel of trippel getalenteerd kunstenaar, ik geloof daar niets van. Om voor mezelf te spreken: ik ben een redelijk getalenteerd pianist en een voortreffelijk begeleider, maar ik ben geen musicus ‘pur sang’. Ik heb dat in de loop van de jaren moeten ervaren en ontdekken, en bevriende kunstenaars die ouder waren dan ik hadden me daar eerder al fijntjes op gewezen. Omgekeerd kan ik wel zeggen dat mijn muzikaliteit en mijn vermogen om in beelden te denken me bij het schrijven van pas komen, sterker nog: in woorden komen ze echt tot hun recht. En mocht de toekomst toch andere dingen in petto hebben, merk ik dat ook wel.

Hugo Verstraeten onderwierp je gedichten ooit aan ‘een kritische lezing’, waarvan een verslag staat op je website. Hoe ga jij in het algemeen met kritiek om?
Of het nu opbouwende of afbrekende kritiek betreft: alles beter dan helemaal geen oordeel of een onverschillig oordeel. Je schrijft toch ook om te worden gelezen? En ik vind het wel prettig als ik opval.
De een valt voor de toegankelijkheid van mijn gedichten, een ander roemt de afwezigheid van het overdreven ‘poëticale’. Weer een ander ontgaat de worsteling die aan een schijnbaar eenvoudige verwoording voorafgaat en mist de ‘verdichting’. Ik neem ieders woord serieus, zolang het op argumenten is gestoeld. Ik ben altijd nieuwsgierig naar de argumenten. Waar ik niet tegen kan, is een oordeel als ‘weliswaar enkele geslaagde zinnen, maar (…)’ of ‘leest als een gedicht zonder het werkelijk te worden’. Dergelijke kritiek wordt nergens concreet, en je verdenkt een criticus ervan dat hij die intentie ook niet heeft. Als ik over een ander schrijf, zou ik hem of haar een dergelijk arrogant oordeel nooit willen aandoen. Je raakt ervan aan het malen in plaats van dat het je tot denken aanzet.

Als een lezer een gedicht helemaal anders leest dan jij bedoelt, vind je dan dat het gedicht mislukt is of de lezer niet goed wijs?
Nee, integendeel. Als een lezer een gedicht heel anders leest dan ik bedoelde, ben ik pas echt wakker. Want het betekent dat het gedicht in zichzelf niet statisch is maar beelden oproept en voor iedere lezer een eigen gezicht krijgt. Zo heb ik gemerkt dat het gedicht ‘De bezoekers’ telkens anders wordt uitgelegd. Daardoor is het gedicht allerminst mislukt. Het wordt opgemerkt en het is ook vaker in tijdschriften geplaatst, om uiteenlopende redenen, en steeds in een andere context. In Gierik en Nieuw Vlaams Tijdschrift verscheen het binnen een religieuze context. Meestal wordt het als mystiek ervaren, terwijl het gaat om een groep mensen en het allemaal draait om het begrip ‘mens’. ‘De bezoekers’ wordt volgens mij wel als stellig ervaren, en misschien dat lezers daarom het gevoel krijgen dat hun lezing de enige juiste is. Ik ga je niet vertellen hoe het precies ontstond, laat het een klein raadsel blijven.

Streef je naar een bundel? Zijn daar plannen voor?
Ik heb het door mijn drukke werkzaamheden als vertaler vaak voor me uit geschoven, terwijl ik het graag wil. Maar ik heb de afgelopen jaren wel regelmatig in tijdschriften gepubliceerd en bespeur ook bij optredens een oprechte belangstelling voor mijn werk. Daarnaast ontstaan er steeds weer nieuwe gedichten die goed worden ontvangen.
Er bestaan inderdaad ook plannen voor een publicatie en de bedoeling is om die het komende jaar voor het eerst concreet te maken. Ik zou graag in boekuitgave willen worden gelezen, ben nog op zoek naar een redacteur.

Geplaatst in Interviews.