Klassieker 104: H.A. Gomperts – Côte d’Azur

door Ivan Sacharov

Meander Klassieker 104

Ivan Sacharov behandelt in zijn eerste bijdrage aan de Klassiekers Côte d’Azur van H.A. Gomperts.

Van Dingtaal, het bundeltje waarmee deze in 1939 debuteerde, vond Menno ter Braak dat het wel eens een grens zou kunnen markeren, een verschuiving in de poëtische vorm – die van de voorkeur voor het gewone woord (een uitstekende reactie op een bepaald soort ‘aesthetentaal’, maar wie meent dat men er fris en lollig op los moet rijmen, komt onherroepelijk in de sentimentaliteit of in de gootsteen terecht), naar die voor het ‘ongewone’.

In Gomperts’ poëzie, zo stelde Ter Braak vast, drijft zijn gevoeligheid hem naar de ‘poésie pure’, naar de taalverfijning van Leopold met haar geraffineerde associaties en het taalritueel van een Renaissancedichter. Hij vermijdt daarbij openhartige subjectiviteit, er is in bijna alle gedichten van Dingtaal iets van reserve, van afweer jegens uitbundigheid en gemeenzaamheid. Door een sterke intellectuele inslag ironiseert de gevoeligheid zichzelf, zoals in Côte d’Azur, waarin de arcadische toon zich paart aan critiek en ironie.
[Menno ter Braak, Verzameld werk. Deel 7; G.A. van Oorschot, Amsterdam 1951; p. 344 e.v.]

CÔTE D’AZUR

Onder een hemel van damast
tussen zwanen en dolfijnen
op een blauw-satijnen kleed
komt de wind zich presenteren.
Het is goed in zee te zwemmen,
want de zee heeft zachte handen,
in een bad van schuimballonnen,
duizend druppels, duizend zonnen.
Op de planken en de stenen
van het grint en sintelstrand
dansen klossen en sandalen,
splinters, stokken, kreeften, torren,
zilte krekels en kadavers.

Langs de plinten van de hemel
liggen met opalen ogen
zevenduizend zeemeerminnen
in een krans om alle zeeën
en van transen en trapezen
kijken dwergen en konijnen,
kattenkrengen, kolenkitten
op het zomers zoete neer.

Zwaluwen en zevelingen
zijn gezanten van de zee
en zij lijden in de wouden,
in de parken van platanen,
langs de zomen van de heuvels
aan de gasten, mensebeesten,
als een onderhuidse jeuk.

H.A. Gomperts (1915-1998)

Uit: Dingtaal, 2e vermeerderde druk, De Ceder 14, J.M. Meulenhoff, Amsterdam 1947

Dit gedicht verdient wat mij betreft een plaatsje op het ere-podium. Het is van H.A. (Hans) Gomperts en komt uit zijn debuutbundel Dingtaal, die in 1939 voor het eerst het licht zag in De Vrije Bladen (jaargang 16, schrift 8). De dichter zal wel niet gedacht hebben dat het ooit een klassiek gedicht zou worden. Toen in 1947 de tweede, vermeerderde druk van Dingtaal uitkwam, voorzag de dichter die van een nawoord waarin hij zijn gedichten als ‘puberale producten’ en als ‘geheugenfetisjen’ betitelt; het zouden niet meer dan ‘dierbare curiosa’ zijn.

Toch moet men zich door dergelijke uitlatingen van een schrijver niet teveel laten leiden. Je eigen producten omlaaghalen is het gras wegmaaien voor een ander en een mooie manier om je trots te verbergen. Trouwens, Gomperts vond het gedicht blijkbaar toch nog wel belangrijk genoeg om het voor de tweede druk te verbeteren: daar lezen we in de op één na laatste regel van de eerste strofe ‘splinters, stokken, kreeften, torren’ in plaats van ‘splinters, stokken, kevers, torren’. Geen wereldschokkende verandering, maar wel een die getuigt van meer zorgvuldigheid dan past bij een instelling van alleen maar leutig (puberaal) ‘gediggies maken’.

Wat is er nu zo goed aan dit gedicht? Ik zou haast zeggen ‘alles’. Maar ik vrees dat de detaillisten onder ons daar geen genoegen mee nemen, dus toch een paar – zeker te kort schietende – aantekeningen.

Wat bij een eerste lezing meteen opvalt, is de bloeiende en beeldende taal, die krachtig wordt ondersteund door (mee)slepende viervoeters, dichtregels die bestaan uit vier trocheeën. Met de nodige afwijkingen natuurlijk, zoals direct al blijkt in de eerste regel. Ze geven de taalsubstantie waaruit het gedicht bestaat iets mechanisch-stotends af en toe, een effect dat goed past bij het passieve hotse-klotsen van de drijvende dingen op de golven van de branding, dat in het eerste deel beschreven wordt.

Het is opvallend hoeveel zelfstandige naamwoorden het gedicht bevat. Dit hangt natuurlijk samen met de opsommingen die erin voorkomen, maar omdat deze beperkt blijven en niet hinderlijk worden, heeft het een prachtig bij-effect: het geeft de taal, bij alle lichtheid van het onderwerp, toch een soort ‘gewicht’, om niet te zeggen een soort erotische tastbaarheid: alsof het geen woorden zijn waaruit het gedicht bestaat, maar een materiaal dat je terwijl je leest met je ogen kunt ‘vastpakken’.

Een klankverschijnsel dat in het gedicht veel voorkomt is de alliteratie. Voorbeelden te over: duizend druppels, opalen ogen, het zomers zoete, zwaluwen en zevelingen. Dit veelvuldig allitereren (en ook het veel voorkomen van assonantie of klinkerrijm) verhoogt de samenklank en samenhang van de taal: het geheel komt meer als ‘een geheel’ over.

Op twee zeer zinvolle plaatsen is het gedicht gesplitst in drie onregelmatige strofen:
De eerste strofe beschrijft de zee zelf, te beginnen in het midden, op de grote watervlakte waar de wind zich presenteert. Daarna gaan we meer naar de rand van de zee toe en zien we zwemmers, die door de ‘zachte handen’ van het water worden gedragen en komen we uit bij de branding waar door het bewegen van de golven allerlei attributen – o.a. ‘stokken’, ‘splinters’ en ‘kadavers’ – dansen ‘op de planken en de stenen van het grint en sintelstrand’.

De eerste witregel markeert de vloedlijn die het water van het echte strand scheidt. Het eigenlijke strand wordt beschreven als een plint van de hemel. Wie kent niet het zicht op een groene strook land tussen het water van de zee en een mooie blauwe lucht? En al moet dit in Nederland misschien lang geleden zijn, het zal in Frankrijk, aan de Côte d’ Azur wel vaker voorkomen dat we daarop een rij (of krans, wanneer het ‘om’ de hele zee gaat) fraaie dames kunnen zien.

Het gebruikte ‘zeemeerminnen’ is natuurlijk een veel leuker en beter woord, want we bevinden ons hier op de rand van twee werelden. Gomperts toont een groot raffinement door in elke regel bijna ongemerkt de spotlight iets verder van het midden van de zee (waar het gedicht begon) af te bewegen. Van ‘transen en trapezen’ kijken dwergen en konijnen, kattenkrengen, kolenkitten op het zomers zoete neer. Bij ‘kolenkitten’ ontspoort het gedicht eigenlijk op een heel mooie manier: kolenkitten kunnen natuurlijk helemaal niet kijken, maar staan voor de winter, die hooghartig op het zomers zoete neerkijkt. Een prachtig taalravijn!

De tweede witregel is een iets ingewikkelder geval dan de eerste. De beschrijving die het gedicht ons geeft, brengt het weer iets verder van de zee af: het land op. Het strand wordt achter ons gelaten, we zien de wouden, de parken van platanen en zelfs de zomen van de heuvels, die ook heuvels op een lichaam blijken te kunnen zijn, want er is meer: de derde strofe is de eerste die ‘naar binnen’ gaat. Niet alleen de buitenkant van de dingen wordt beschreven, maar ook hoe wezens (in dit geval zwaluwen en zevelingen) zich voelen: zij lijden aan de gasten, mensebeesten, als aan een onderhuidse jeuk! Ineens lijkt de hele zee, met het strand eromheen en alles erop en eraan op een onderhuidse wereld, een soort macro-biotisch wezen, waarin de mensen krioelen als microben en jeuk veroorzaken. Dat is een omkering waarin wat aanvankelijk de buitenkant leek, de binnenkant blijkt te zijn. Ik denk dat daarom dit gedicht zo goed werkt: het geeft een mooi voorbeeld van een paradoxaal ‘binnenstebuiten’ gaan, dat laat zien hoe zaken buiten, ons binnenste kunnen beïnvloeden en daardoor ook innerlijke zaken worden.

Is er nog meer over dit gedicht te zeggen? Raadselachtig is het woord ‘zevelingen’ in de eerste regel van de laatste strofe. Het kan een zelfbedacht woord zijn (gewoon om met zwaluwen te allitereren), maar ook een echt bestaand woord dat ik niet kan thuisbrengen. Het bestaat als de naam van een stuk land bij Kampen, wat een dood spoor moet zijn, omdat dat niets met gezanten van de zee te maken heeft. Het enkelvoud ‘zeveling’ komt voor als de naam van een blokhut voor kinderen of padvinders, dus is evenmin toepasbaar. Als het een zelfbedacht woord is, is het leuk om met klankassociaties zelf betekenissen te verzinnen: iets met zeveren of zevenlingen? Desnoods kan het als een benaming voor rustzoekende schrijvers worden opgevat. (Gomperts zou waarschijnlijk lachen om al dit geneuzel, en míj een zeveling noemen!)

Er is inderdaad veel meer te zeggen over deze boeiende tekst, maar ik wil ermee besluiten dat in het kader van het eerder genoemde ‘binnenstebuiten gaan’ de wind die zich presenteert op dat blauw-satijnen kleed, kan worden opgevat als een gnostisch beeld van de geest Gods, die over de wateren zweefde en aan het scheppen ging… Hier werd het de zeer geslaagde schepping van een (andere?) dichter.

Geplaatst in Klassiekers.