Gedichten

EEN FIJNE AVOND

Het strand ligt bezaaid met kammen,
strengen, katrollen. De zee is vrijgevig.

Maar de schappen zijn bijna leeg. Het is druk
bij de kassa, men hamstert.

De massa dringt op, eist rijkdom, vrijheid,
gelijkheid. Er zullen koppen gaan rollen!

Mijn brood en mijn wijn afgerekend.
Zegeltjes nog? Een fijne avond!

Hoor ik het goed? Men groet mij
uiterst beleefd. Ik heb niets te vrezen.
 

LETTERS

Ze trokken zich terug, er schuin tegenover.
Hard in mijn hand een stuk drijfhout.

De maan strooide licht in de schaal.
En de zee begon te bewegen.

De hak van de majesteit brak.
Toch liep zij rechtop.

Niemand had het gezien, buiten ons,
maar nu staat het geschreven.

Al het geëtter eindigt in letters.
Niets gaat verloren.

Want het gaat om het Boek.
Dat de Ene voor eeuwig kan lezen.
 

PELGRIMAGE

Op weg naar Raayens, te voet, even gestopt.
Twijfel aan straathoek Raaiweg / Heupenstallaan.

Foto gemaakt en mij gevraagd: is dit waar?
En zo ja, in hoe ver?
Er was toch meer dan men ziet?

Leg je oor op de rails en verloochen je ogen.
Dan zul je horen geritsel, gerinkel, hoe men moet
lopen om ergens te komen en waarvandaan men
dat doet. Om maar een dwarsstraat te noemen.

Zwaar hangt de slaap in de bomen. De zomer
kauwt op haar weefsels, haar speeksel is oud.

Een stevige beet in jong vlees, dat geneest.
En dan luisteren leren, nog beter.
 

SPUI

Voor Jean-Jacques Suurmond

Het Spui overstekend, de zon scheen, op weg
naar een dode, hoorde ik zeggen: Ik ben
de verteller en jij bent mijn personage,
een van de vele. Maar laat je niet imponeren.
Ga toch vooral met mijn plot op de loop.

Ja, deze schrijver die mij verzon en beminde,
die mij beschermt, niet tegen waanzin of
wanhoop, niet tegen kanker of dood,
was een moment in het heden!

Ik haal je nog eens met zeer harde hand
uit de stront, zo klonk het daarna nog.
Heb meelij met hen die niet onder worden
gescheten, want je zult zien, ik sta op en
ik keer alles om: ik red het uitschot en
geef hen een naam.
 

Geplaatst in Gedichten.