Gedichten

VIER MANIEREN OM OP IEMAND TE WACHTEN

1.   Zittend. Denkend aan liggen. Je handen
      strijken rimpels in het tafellaken glad
      rond een gerecht dat moeilijk en te veel
      voor twee en niet als op het plaatje is,
      maar ruikt, het ruikt de ramen uit, het
      doet zijn best niet in te zakken, zoals
      een ingehouden buik niet bol te zijn –
      ook andersom is vergelijken.

2.   Lopend. Bijvoorbeeld naar de ramen
      en terug en toch weer naar de ramen,
      omdat geluid zich buigt naar wat je
      horen wilt, maar het niet is. Er danst
      een stoet voorbij, verklede mensen die
      iets onverstaanbaars juichen, van elkaar
      goed weten hoe ze heten en te kijken
      dansen dat je kijken moet.

3.   Staand. Bij een ingang, uitgang waar je zei
      dat, maar er zijn er drie, je weet niet meer
      of die of deze. Van blijven staan komt
      niemand tegen, maar met bewegen
      wordt haast bereikt wat net verdween.
      Zeker nog niet gezegd wie blijft en wie
      beweegt en wie dan wie wanneer
      en van hoe ver weer ziet.

4.    Niet.

Uit: Vier manieren om op iemand te wachten (2001), uitgeverij Querido

 

VEL

Wat trager toch en moeilijker
getekend dan geschreven:
kilometers krentenbollen,
massa’s met behoeftes,
warme macedoine,
kus van nog zonet,
bijvoorbeeld, enzovoort.

Teken een muur: het is erachter.
Trek een rivier: het veer mag varen.
Teken een streep: herken de verte.
Wit papier is winter.

Uit: Wuif de mussen uit (2006), Uitgeverij Querido
 

Geplaatst in Gedichten.