Tot een nieuw systeem komen

Estelle Boelsma is naast dichter ook beeldend kunstenaar. Of andersom. Ze is taal- en kunstfilosoof en redacteur van het e-zine blue-turns-grey. Als haar invloeden noemt ze onder anderen Ramsey Nasr, K. Michel, Mustafa Stitou en Saskia de Jong, maar ook de beroemde bloemlezing Atonaal.

Meander staat bekend als een podium voor beginners. Je hebt al gepubliceerd in een aantal belangrijke tijdschriften en je zou kunnen zeggen dat je dus al zo’n beetje bent ‘doorgebroken’. Waarom heb je toch ingezonden?
Ik zie de publicaties in andere tijdschriften niet in het bijzonder als doorbraak, tijdschriften vormen een podium waar je je werk aan de buitenwereld kunt tonen. Ik heb naar Meander ingezonden omdat ik het als een venster, als intermediair zie naar de wereld.

Wanneer is een gedicht voor jou geslaagd?
Een gedicht is voor mij geslaagd wanneer de inhoud geen aanpassing meer behoeft, als ik het kan loslaten in de buitenwereld, wanneer inhoud, vorm en punctuatie in orde zijn, en het vragen stelt. Soms werk ik verder aan gedichten die ik een decennium geleden geschreven heb. Maar er zijn ook gedichten die zich in één adem, één gedachtegang hebben laten schrijven. Het zijn twee verschillende benaderingen en ik verkies de ene niet boven de andere. Als ik de lezer, de ander, kan bereiken via een gedicht, is het dubbel geslaagd. Zet het een lezer aan tot vraagstelling, liever dan tot aanname, dan is het driedubbel geslaagd.

Wat zijn de belangrijkste thema’s van jouw gedichten zijn?
Als ik terugkijk op mijn gedichten kan ik geen duidelijk terugkomende thema’s aangeven. Hoewel mijn gedichten aanvankelijk bevolkt werden door archaïsche creaturen, zoals koningen, prinsessen, idioten, leprozen maar ook kwantumfysici, en een wat hermetisch, larmoyant taalgebruik hadden, merk ik dat mijn nieuwere gedichten meer de nadruk leggen op het alledaagse, speelser zijn, en dat het taalspel in het algemeen voorop staat. Als ik toch een thema zou moeten benoemen, zou het doodsdrift of doodsverlangen zijn, hoewel dit verpakt zit in tal van metaforen en allegorieën.

Je verzen zijn nogal ontoegankelijk. Vind je het desondanks belangrijk waar ze ‘over gaan’? Of gaat het je om de (schoonheid van de) taal zelf?
Ik zie schrijven niet voornamelijk als een vorm van expressie, hoewel ik gebiologeerd kan zijn door de schoonheid van een woord, van taal, van een geslaagde zin. Ik lees woordenboeken voor mijn plezier, ik heb altijd een stapeltje naast mijn bed liggen. ‘Woordgeil’ in populaire frase. Ik vind het belangrijk hoe een woord zich verhoudt binnen een zin, hoe klank de betekenis kan versterken of afzwakken, of hoe letters zich in een afzonderlijk woord typografisch tot elkaar verhouden; dat zijn allemaal ingrediënten die ik belangrijk acht bij het schrijven van een gedicht. Ik zou meer willen experimenteren door mezelf bepaalde restricties op te leggen en dan tot een gedicht komen, dit zeggende denk ik aan de roman La disparition van Georges Perec, een roman met de afwezigheid van de letter ‘e’.

Een jaar geleden zei je tegen Meander: ‘Het grootste nadeel van het werken met diverse media is dat je de kern vaak niet raakt. Die versnippering werkt me tegen.’ Je zei je te willen concentreren op de poëzie. Toch zit je nog in de redactie van blue-turns-grey en hou je je daar bezig met fotografie en beeld. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan?
Mijn achtergrond is duidelijk de beeldende kunst, hoewel ik altijd gefascineerd ben geweest door taal in de breedste zin van het woord. Tijdens mijn opleiding aan de Kunstacademie in Arnhem heb ik mij vaak in het schemergebied van beeldende kunst en poëzie gewaagd. Ik heb enkele bibliofiele uitgaven gemaakt waarin beeld en woord samenvallen en soms een interactie aangaan. Na het afstuderen ben ik me meer op taal gaan concentreren en de betekenis daarvan, etymologie, evidentie, betekenis en functie. Mijn grootste struikelblok om poëzie te kunnen schrijven is niet de afleiding van de kunst of de wisselwerking van poëzie en kunst, maar mijn onderzoek naar de relevantie van taal an sich. Mijn studie taalfilosofie en hermeneutiek heeft me talloze keren doen besluiten geheel met de poëzie te stoppen, omdat het zo leugenachtig is en in tegenspraak met de ideeën die ik over taal gevormd heb en omdat ik veronderstel dat ik niet meer oprecht ben. Blijkbaar is de drang en het genoegen poëzie te schrijven sterker dan elk redelijk argument dat ik hier tegen kan bieden. Het zal altijd wel een heikel punt blijven, omdat het zo met elkaar in tegenspraak is, omdat ik soms erg twijfel over legitimiteit.

Kun je proberen te beschrijven hoe de kruisbestuiving tussen beeldende kunst en poëzie er bij jou uitziet of hoe die er idealiter uit zou moeten zien?
Ik veronderstelde vroeger dat de combinatie van beeld en poëzie vaak als een illustratie van het één dan wel het ander geldt, maar daar ben ik van af gestapt. Beeld en woord kunnen twee afzonderlijke elementen vormen, hoewel ze een doorlopende wisselwerking aangaan. Er valt wel een combinatie te bewerkstelligen en tot een waarachtige kern te komen – dit zou in het concept duidelijk moeten zijn zonder dat er een wederzijdse interpretatie is. Zo ver ben ik nog lang niet. Ik had mij inderdaad voorgenomen poëzie centraal te stellen en mij daarop te concentreren, maar sommige van mijn ideeën laten zich makkelijker en duidelijker in beeld vatten. Ik zou mezelf beperken wanneer ik me inderdaad op één medium zou concentreren. Daarnaast heb ik gemerkt dat ik door me met het ene bezig te houden geïnspireerd word om het andere te doen. Het is een continue wisselwerking. Ik zou het een uitdaging vinden een vorm te vinden waarin ik beide kan combineren en tot een nieuw systeem kan komen.

Kunnen we binnenkort een dichtbundel van je verwachten?
Ik heb een publicabel manuscript klaarliggen waar ik momenteel een geschikte uitgever voor zoek.

En, tot slot: wat doet Estelle Boelsma als ze niet aan het fotograferen of dichten is?
Langs de Rijn fietsen. Buster Keaton-films downloaden. Een puberzoon tot redelijkheid bekeren.

Geplaatst in Interviews.