Tussen geisha en Kabuki

Saskia Waterman (1982) studeerde Taal- en Cultuurstudies in Utrecht, werkt als desk researcher en begint binnenkort met de opleiding Illustratie aan een grafisch lyceum. Haar tekeningen en gedichten verzamelt ze op haar website www.hazeymaiko.com. Jeroen Dera sprak met haar over haar vervreemdende kunst en poëzie.

Je presenteert jezelf met veel verve op je website Hazey Maiko. Waar komt die naam eigenlijk vandaan?
Ik heb die naam destijds vrij achteloos gekozen voor mijn eerste e-mailadres. Een maiko is een leerling-geisha, en ‘hazey’ kan zowel mistig, verward als lichtelijk dronken betekenen. Geisha’s moeten van kindsaf aan een jarenlange training doorlopen in allerlei traditionele Japanse kunstvormen. Zelf voel ik me ook nog een leerling: ik ben er nog láng niet in het leven. Maar dat geeft niks: eigenlijk wil ik het liefst zo lang mogelijk een maiko blijven, een nieuwsgierige leerling die openstaat voor experimenten.

Je schrijft wonderlijke poëzie. Wat probeer je ermee over te brengen?
Vooral verwondering, denk ik. Ik ben van nature een observator, dat stille kind dat in een hoekje zit en stiekem alles volgt. En daar vervolgens zijn verbeelding op loslaat. Het begint vaak met een stemming waarin ik zit, een gesprek dat ik met iemand heb gehad, of een beeld of verhaal dat indruk op me heeft gemaakt. Ik schrijf eerst op wat me daar allemaal bij te binnen schiet en schaaf het daarna steeds meer bij. De verwondering zit hem in de bijzondere lading die alledaagse dingen of handelingen kunnen krijgen. Bijvoorbeeld de kop koffie die je geliefde ‘s ochtends voor je zet. Het kan zomaar tot een gedicht leiden.

Hoe herkennen we een gedicht van jouw hand? Met andere woorden: wat
zijn thematische en stilistische constanten?

Ik vervorm de werkelijkheid vaak tot een fantasiewereld. Levenloze dingen hebben de neiging om te gaan leven, mensen worden archetypes of vreemde wezens, dat soort dingen. Realisme zal ik nooit voor elkaar krijgen, ben ik bang. Aan de ene kant voel ik me daar nog niet volwassen genoeg voor: ik heb nog niet voldoende mensenkennis. Aan de andere kant heb ik gewoon veel te veel plezier in het gebruiken van mijn fantasie.
Wat de taal in mijn gedichten betreft, hou ik het graag eenvoudig. Ik ben pas sinds kort echt bezig te letten op mijn hoofdlettergebruik en interpunctie, en ben steeds zuiniger geworden met bijvoeglijke naamwoorden. Het liefst speel ik met de syntaxis. Ik vind het leuk om met grammatica te schuiven om te zien wat voor ritme eruit komt. Met ‘bij ademen blijft hij rechtop’ krijg je bijvoorbeeld iets heel anders dan wanneer je ‘hij blijft rechtop als hij ademt’ schrijft.

Welke literatoren beïnvloeden jouw werk?
Ik ben een groot fan van Tobias Hill, die prachtig beeldend proza schrijft. Ook schrijvers als David Mitchell en Haruki Murakami zijn grote voorbeelden. Ze mengen fantasie en werkelijkheid tot een geheel eigen, geloofwaardige wereld en vooral Mitchell weet daarbij allerlei stijlregisters open te trekken. Qua Nederlandse literatuur vind ik Mustafa Stitou en Menno Wigman erg mooi. Hun poëzie wordt gekenmerkt door rijke beeldspraak en een kalme toon. Als lezer diep je zelf de emotie en sfeer op uit hun gedichten: je kunt erdoor dwalen, omdat de dichter je niet naar een bepaald punt stuurt.

Je houdt niet alleen van dichtkunst, maar ook van beeldende kunst. Beïnvloeden die twee elkaar wel eens?
In mijn hoofd begint alles altijd met beelden. Soms worden ze woorden, soms tekeningen, soms allebei, in een strip. Daarin komen woord en beeld heel mooi samen. Ik ben erg blij met de toenemende belangstelling voor de strip als literair genre, al was het maar vanwege het groeiende aanbod in winkels. Maar zelf lees ik lang niet altijd strips die ‘literair’ zijn. Ik hou vooral van strips die me emotioneel raken en inventief met het medium omgaan. Dat kan een psychologisch diepgaand epos als Kabuki zijn, maar ook een hilarische soap als Scott Pilgrim.

Op je website schrijf je dat je gek bent op griezelen. Kun je dat nader specificeren?
Met fantastische middelen kun je veel over de werkelijkheid zeggen. Dat zie je vooral heel mooi in films. Eternal Sunshine of the Spotless Mind laat bijvoorbeeld zien hoe het is om tegelijk gekweld en gelouterd te worden door herinneringen aan een voorbije liefde. Of neem de verfilming van Crash van J.G. Ballard: mensen genieten ervan dat hun auto mooi is of sjiek, of stoer of juist schattig, alsof die auto een partner is. Maar tegelijk zijn het gruwelijke, levensgevaarlijke machines. Over de horrorfilm Cloverfield was ik zelfs zo lyrisch dat ik iedereen er de oren van het hoofd over heb gekletst. Cloverfield houdt zich aan de regels van het horrorgenre, maar is meer dan entertainment. De film laat je ook voelen hoe zinloos, rauw en willekeurig de dood kan zijn. En dat er soms niemand overblijft, dat er soms gewoon geen redding komt.

Je zegt niets te snappen van kapitalisme. Hoe zit dat precies?
Tja, er is zoveel aan de grote-mensen-wereld dat ik niet begrijp… Wat ik er eigenlijk mee bedoel, is dat ik een dromer ben en niet zo praktisch ingesteld. Ik maak voortdurend dingen, maar heb geen idee hoe ik ze het beste zou kunnen verkopen. Ik zou niet zo snel mijn werk naar een uitgever insturen. Tegelijkertijd ben ik gek op de DIY/smallpress scene van striptekenaars: zelf boekjes maken en die op kleine schaal aanbieden. De grote literaire spelers kijken volgens mij nogal neer op ‘uitgeven in eigen beheer’, terwijl dat onder striptekenaars juist wordt gewaardeerd.

Zou er dan minder neergekeken moeten worden op uitgaven in eigen beheer?
Lang niet alles wat in eigen beheer wordt uitgegeven – of dat nou een strip is of een boek – is goed. Maar dat kun je ook van de fondsen van uitgeverijen zeggen. Het verschil zit hem in het distributie-, recenseer- en promotienetwerk dat je tot je beschikking hebt. Meer aandacht voor ‘kleine publicaties’ in bijvoorbeeld (online) boekenbijlagen zou volgens mij nog de meeste kansen bieden om interessant werk uit eigen beheer een groter publiek te geven. En dat is soms broodnodig.

Geplaatst in Interviews.