'Ik verdwaal altijd in de Bermudadriehoek dichter-gedicht-wereld'

Peter Knipmeijer (Amersfoort, 1970) werkt in het UMC Utrecht als seniorverpleegkundige op een psychiatrische opnameafdeling. Tot vorig jaar studeerde hij bovendien verplegingswetenschap, maar dat bleek niet te combineren met zijn fulltimebaan. Dichten gelukkig wel.

Je dicht pas zo’n anderhalf jaar. Wat is er gebeurd dat je, op relatief late leeftijd, opeens de pen hebt opgepakt?
Het is gelopen zoals het gelopen is. Schrijven is iets wat ik mijn hele leven heb gedaan. Het begon met de schoolkrant, en daarna volgden jarenlang teksten voor een hobbyband waarin ik toetsen speelde. Toen die twee jaar geleden ophield te bestaan, had ik eigenlijk alleen pen en papier over. De stap van liedteksten naar gedichten is dan de meest logische, als je tenminste behoefte om te schrijven hebt en een beroerde muzikant bent. En dat leverde zoveel vrijheid en mogelijkheden op, en zoveel nieuwe moeilijkheden, dat er een wereld voor me open ging. Toen ik na de eerste bemoedigende geluiden 2007 inging met ‘proberen iets gepubliceerd te krijgen’ als goed voornemen en ik op diezelfde 1 januari ‘s middags een mailtje kreeg dat er een 160 in NRC Next zou komen, was ik prettig verbijsterd. Daarna ging alles nogal snel en stimulerend en nu ben ik hier.

Elders stel je dat je gedichten vooral over het menselijk onvermogen gaan. Dat is natuurlijk een thema dat in literatuur uitputtend behandeld is.
Het is zeker geen onbekend thema in de literatuur. De vraag naar wat mijn Grote Thema was, werd me de dag na Onbederf’lijk Vers in Nijmegen gesteld. Ik had bijna niet geslapen, stond nog stijf van de adrenaline en had toen nog minder dan nu enig besef van thema’s in mijn werk. ‘Menselijk onvermogen’ was het eerste dat in me opkwam. En is daarom misschien wel waar. Ik denk dat ik een zwak heb voor mensen die tegen de stroom in roeien, die ondanks alles proberen er het beste van te maken.

Heeft die zwakte voor zulke mensen iets te maken met je werk als psychiatrisch verpleegkundige?
Mijn werk en het dichten zijn twee gescheiden werelden. Het schrijven van gedichten is vooral een interne cerebrale bezigheid. In mijn dagelijkse werk ben ik bezig met de verwarde medemens. Alhoewel ik toe moet geven dat mijn patiënten regelmatig met associaties en neologismen op de proppen komen waar je als dichter alleen maar van kan dromen. Ik zou graag voorbeelden noemen, maar ben gebonden aan mijn beroepsgeheim.

Wie beïnvloeden jouw werk?
Dat zijn er nogal wat. En om verschillende redenen. Om een kleine selectie te maken: van de doden Slauerhoff, Bloem en vooral Reve. Van de huidige dichters onder andere Mark Boog, Tsead Bruinja, Ingmar Heytze en Laura Demelza Bosma. Van het grote Legioen der Bundellozen bijvoorbeeld Merijn Schipper en Hanneke van Eijken. En ik wil graag een lans breken voor Peter Hammill, een Engelse singer-songwriter die – figuurlijk – met een scheermes schrijft en ook nog de mooiste stem ter wereld heeft. Die man maakt liedjes die soms fysiek pijn doen.
Luister bijvoorbeeld naar het liedje ‘Curtains’, over een relatiebreuk. En huiver.

Ik ervaar je poëzie als sterk zintuiglijk. Hangt dat wellicht samen met de manier waarop jouw gedichten tot stand komen?
Kennis van de wereld begint voor zover ik het begrijp bij zintuiglijke waarneming. Cesare Pavese beschrijft dichten als het zoeken naar een alternatieve werkelijkheid waarvan je het bestaan vermoedt. Daar kan ik het mee eens zijn. De zoektocht zou beginnen via de zintuigen. Daarbuiten is er niets waarover iets zinnigs te zeggen valt.
Wat mijn gedichten betreft: die ontstaan altijd vanzelf, de eerste aanzet in ieder geval. Op elk moment kan ik overvallen worden door het idee dat er tussen schijnbaar willekeurige zaken of gebeurtenissen een groter verband bestaat dan de zintuigen willen toegeven. Daarna wordt het een langdurig proces van dat verband beschrijven, de tekst bijschaven en vooral veel schrappen. Ik gebruik minstens een half notitieblok voor een gedicht van drie kwatrijnen. Overigens vind ik het lastig om iets zinnigs over poëzie te zeggen: ik verdwaal altijd in de Bermudadriehoek dichter-gedicht-wereld.

Hoewel je pas sinds kort dicht, heb je al aardig wat publicaties op je naam staan. Ook stond je op een groot poëziefestival als Onbederf’lijk Vers. Waarin denk je dat je succes schuilt?
Ik heb werkelijk geen flauw idee. Wat ik wel kan zeggen is dat ik mijn dichterschap erg serieus neem. Er staat geen komma waar ik niet maanden over getwijfeld heb. Misschien dat mensen dat teruglezen in het eindproduct. Of ze horen dat terug, want ik draag regelmatig voor. Ik vind het leuk om te doen, tenzij er sprake is van competitie: in januari deed ik voor het eerst mee aan een slam en ik stierf minstens duizend doden. Ik heb de betreffende voorronde gewonnen – wat volgens mij meer zegt over het deelnemersveld dan over mijn slamkwaliteiten – dus ik moet nog een keer. We zullen zien.

Ik las dat je nog niet van plan bent een bundel naar een uitgever te sturen. Wat houdt je tegen?
Toen ik die uitspraak deed, nu ruim een halfjaar geleden, had ik het idee dat het allemaal nog lang niet goed genoeg was en dat ik mijn tijd beter kon besteden aan beter leren schrijven. En dat denk ik nog steeds, alhoewel ik in alle onbescheidenheid moet toegeven dat er ook een aantal gedichten zijn waar ik tevreden over ben. Het voorlopige plan is om deze zomer een selectie te maken om uitgevers mee lastig te vallen. Mochten die enthousiast raken van dit verhaal dan mogen ze me altijd bellen, natuurlijk.

Geplaatst in Interviews.