Niet bang zijn voor ruwe randjes

Dennis Gaens (1982) is buiten dichter ook hoofdredacteur van het Nijmeegse literair tijdschrift Op Ruwe Planken. Hij treedt regelmatig op met zijn literaire broeders De Mugwumps. Zijn inspiratie haalt hij vooral uit zijn directe omgeving, en ook uit het werk van de Amerikaanse beatdichters. Maar wat doen toch al dat asfalt en al die stenen in zijn gedichten? En wat wil hij worden als hij later groot is? Meander zocht het uit.

Je doet ontzettend veel verschillende dingen. Redacteur, freelancer, dichter, podiumdier. Waar ligt nou je echte passie? Waar ga je je toekomst in zoeken?
Michel Melenhorst, redacteur bij de uitgeverij (Vantilt) waar ik stage liep, zei een keer tegen mij: ‘Volgens mij maakt het jou niet zoveel uit hoe je je creativiteit kwijt kunt, als je haar maar kwijt kunt.’ Dat legt het wel zo’n beetje uit. Overigens rol ik er gewoon in. Ik heb geen vijfjarenplan of zo, meer een oog voor dingen die langs komen en die me leuk lijken. Soms pakt dat goed uit en blijf je zoiets doen. Wat de toekomst betreft zien we het wel, schrijven zit er in ieder geval in. Al die dingen die je noemt graviteren ook rond schrijven.
Ik ken overigens weinig creatievelingen in mijn omgeving die zich uitsluitend met één ding bezighouden. Volgens mij houdt het je scherp om verschillende dingen te doen, maar wellicht zijn we gewoon een arrogant groepje mensen dat denkt: ‘Hey, maar dat kan ik ook wel.’

Je bent al een tijd redactielid van ORP. Welke tendensen zie jij in de poëzie die jonge mensen op het moment maken en wat valt je in het algemeen op aan de hedendaagse poëzie?
Ik weet niet of ons bereik qua auteursbestand groot genoeg is om daar harde uitspraken over te doen, maar ik kan wel vertellen wat ik zie gebeuren. Er is sprake van een bepaalde ontketening uit tradities binnen het eigen taalgebied. Jonge auteurs halen hun bagage overal vandaan. Dat is natuurlijk wel al langer zo, maar volgens mij is de literaire oriëntatie, mede door internet, nog idiosyncratischer geworden. Jonge auteurs worden beïnvloed door de meest obscure dichters, gemixt met grotere auteurs en een flinke dosis populaire cultuur of subculturen. Dat klinkt dan allemaal mee in de gedichten. Zodoende kun je niet echt van algemene inhoudelijke tendensen spreken, maar het maakt lezen van gedichten ook weer echt spannend.

Welke jonge Nederlandse en Vlaamse dichters moeten we volgens jou in de gaten houden?
Ik ben zelf nogal fan van Vicky Francken, maar dat is geen geheimtip meer. Kapitein Lafbek begint volgens mij ook al een behoorlijke fanbase te creëren. En terecht, hij blaast me echt van mijn sokken.
In België interesseren me de mensen rond tijdschrift KRAAI, dat vanaf september moet gaan verschijnen. Het proefnummer was veelbelovend. Een van de redactieleden is Maarten Inghels, die onlangs nog in Meander stond. Die jongen is een bedreven schrijver en ik zie hem nog niet zo snel wijken voor wat dan ook. Van hem zul je nog wel horen.

En hoe zie je de toekomst van het literaire tijdschrift? Is het binnenkort echt afgelopen?
Wie weet. Voorlopig nog niet, lijkt me. Mensen zien graag hun gedichten op papier staan. Ook het aantal abonnees loopt nog niet echt achteruit. Ik denk wel dat er wat gaat veranderen. Je moet vooral manieren verzinnen om internet bij je tijdschrift te betrekken. Het Vlaamse tijdschrift Met Andere Zinnen heeft een interessante opzet daarvoor: een soort werkplaatsforum, gecombineerd met een papieren kwartaalblad. Ik denk dat zoiets meer groeimogelijkheden biedt dan sites zoals DichtTalent, omdat bij Met Andere Zinnen ook redactieleden reageren op je teksten.
Je moet je lezers en auteurs op een actieve manier bij je blad betrekken en voor de rest vooral doen wat je goed en leuk lijkt. Dat is tenminste de koers die wij varen.

Welke literaire tijdschriften – buiten ORP – lees je zelf graag?
Parmentier en Deus ex Machina zijn heel eigenzinnige tijdschriften, die altijd wel weer met een origineel en goed nummer komen. Krakatau is een tijdschrift met smaak, ook belangrijk. Verder ben ik geabonneerd op Meander en Lava, en zo nu en dan koop ik iets anders in de losse verkoop.
De ORP lees ik trouwens zelden als die eenmaal uit is. De kopij heb ik gelezen en omdat ik ook de opmaak verzorg lees ik een nummer al vaak drie keer helemaal door voordat het gedrukt is. Af en toe lees ik in wat oudere nummers, dat wel.

In je gedichten komen we veel asfalt en stenen tegen. Is de stad een decor dat je bewust kiest voor je gedichten of dringt dat zich op uit je dagelijks leven?
Het sluipt er telkens weer in. Een van mijn stokpaardjes is de publieke ruimte. Ik kom oorspronkelijk uit een dorp en dan benader je steden veel meer als buitenstaander. Daardoor worden heel veel vanzelfsprekend lijkende dingen veel minder vanzelfsprekend.
Daarnaast kom ik uit de skatecultuur, waarin de publieke ruimte een centrale rol speelt. Graffitikunstenaars, freerunners en skaters gaan heel anders met de publieke ruimte om: ze herdefiniëren gebouwen en objecten op een manier die architecten en planners niet kunnen voorzien. Parkeergarages worden downhill-circuits, banken worden grind-plekken en muren worden canvas. Ze claimen een stuk van de ruimte.
Ook bij filosofen die ik tijdens mijn studie las, zag ik elementen daarvan terug. De situationisten wilden onze beleving van de stad drastisch veranderen en verzetten zich tegen het doodslaan en verbouwen van alles wat speels is. Dat is iets wat ik in veel gedichten en prozastukken ook probeer te doen.
De laatste tijd probeer ik echter de stad bewust buiten te houden. Ik heb het gevoel dat ik wel weer toe ben om versere thema’s aan te spreken. Het is een langzaam afscheid. Ik zoek nog steeds naar een grote afrekening met dat thema.

Zou het te ver gaan om te zeggen dat je poëzie, in haar kritiek op de stad, ook maatschappijkritisch is?
Nee, dat gaat niet te ver. Daar kom ik moeilijk onderuit. Ik heb een soort van Meldungsdrang. Niets wat ik denk ontsnapt daaraan, dus ook mijn kritische kanttekeningen niet. De drie gedichten die in dit nummer staan heb ik uitgekozen omdat ze goed bij elkaar passen en wellicht is het juist die kritiek die ze verbindt.
Er is een hoop speelsheid uit de stad weggewerkt. Voor alles wat een beetje leuk is heb je dertig vergunningen nodig, of je krijgt een boete. Alles wat een beetje ruw is, wordt glad gestreken en we moeten allemaal maar zo normaal mogelijk doen. Daar verzet ik me wel tegen. We moeten niet bang zijn voor ruwe randjes, het moet speelser. Een stad biedt meer mogelijkheden dan men ons wijs wil maken.
Ik wil overigens niet alleen kritisch zijn. Ik heb een broertje dood aan dichters die alleen maar dezelfde klachten blijven herhalen. Volgens mij moet je er ook wat tegenover stellen. Het is veel te veilig om alleen maar kritiek te uiten. Maar ruimte voor kritiek moet er zijn, en die heb ik hier genomen.

Welke dichters en schrijvers hebben jou beïnvloed?
Het meest beïnvloed ben ik door mijn directe omgeving, zoals mijn vrienden in het collectief De Mugwumps. We kwamen vroeger wekelijks bij elkaar om teksten te bespreken. Dat heeft ongekende invloed gehad. We zijn pas begonnen met een soort vervolg daarop: de Literaturjugend. Dat is een maandelijkse, literaire werkplaats op initiatief van de Wintertuin, waarin een grotere groep schrijvers op elkaars teksten reageert.
Qua bekendere schrijvers heb ik vooral een tik van Kerouac en de Beats gekregen, Dylan Thomas en Ingrid Jonker, maar ook van minder bekende schrijvers zoals Amy Hempel, Buddy Wakefield en David Benioff.

Geplaatst in Interviews.