Klassieker 108: J. Slauerhoff – Brieven op zee

door Michel Krott

Meander Klassieker 108

Wie aan Slauerhoff denkt, denkt onmiddellijk aan exotische landen en onstuimige zeeën. In het sonnet ‘Brieven op zee’ schetst de dichter volgens Michel Krott een helder, ontnuchterend beeld van het leven op een schip.

Brieven op zee

Gelezen worden ze ontelbre malen,
Al was de inhoud haast vooruit geweten,
Van ‘t zelfde levensstof in alle talen
En op den duur tot op het woord versleten.

Toch weer ontvouwd, na ‘t eenzaam avondeten,
Des nachts op wacht, te kooi en na ‘t verhalen;
Voor hen die zooveel eenzaamheid verbeten
Is uit die letters leeftocht nog te halen.

Tusschen lieve en liefhebbende steeds staat er
Van kroost, huis, dorp en eiland weer ‘t alleen
Bij trouw, geboorte en dood gevarieerd relaas.

Na tal van reizen is het of een waas
‘t Bekende aan land omhult, men is alleen
En hoort bij ‘t schip en houdt het met het water.

J. Slauerhoff (1898-1936)

Uit: Verzamelde Gedichten, Nijgh & Van Ditmar, ‘s-Gravenhage – Rotterdam, 6e druk 1961

Wie aan Slauerhoff denkt, denkt onmiddellijk aan exotische landen en onstuimige zeeën. Zijn reputatie is onwrikbaar: de dichter-scheepsarts die als vrijwillige banneling de eenzame ongebondenheid van de zee verkoos boven het huiselijke geluk, de ‘poète maudit’ die inspiratie vond bij dichters als Corbière en Rimbaud. In het sonnet ‘Brieven op zee’ schetst hij een helder, ontnuchterend beeld van het leven op een schip. Dit toegankelijke gedicht, afkomstig uit de bundel Een eerlijk zeemansgraf (1936), schenkt ons een bijzondere leeservaring. Het is alsof we meegevoerd worden op het schip, brieven van verre dierbaren lezen, bewaren als relikwieën, heropenen, maar langzaam losraken van de vertrouwde werkelijkheid.

Het taalgebruik oogt betrekkelijk modern – afgezien van de oude spelling en een paar klassieke kunstgrepen, zoals de weglating in ‘ontelbre’. De fraaie passages ‘Van ‘t zelfde levensstof in alle talen / En op den duur tot op het woord versleten’ en ‘Voor hen die zooveel eenzaamheid verbeten / Is uit die letters leeftocht nog te halen’ geven blijk van een groot gevoel voor ritme en klank. De geslaagde alliteratie ‘letters leeftocht’ wordt voorzichtig voortgezet met ‘lieve en liefhebbende’ in de eerste terzine, waarna de minder opvallende alliteratie ‘steeds staat er’ het klankeffect op subtiele wijze versterkt. Het geheel wordt nog fraaier door het spel met de lee-klank: ‘Gelezen (…) levensstof (…) versleten (…) leeftocht (…) alleen (…) alleen’. Het einde van het gedicht is krachtig en overtuigend. Vooral de regel ‘(men) hoort bij ‘t schip en houdt het met het water’ confronteert ons met onherroepelijke eenzaamheid.

Etto Krijger verzamelde in Slauerhoff in zelfbeelden een groot aantal brieffragmenten. In de brieven die de dichter zelf schreef komt de afstand tussen land en zee vaak ter sprake: ‘ik ben wel eens bang dat ik ook niet erg weer in Holland zal kunnen wennen, dan ben ik helemaal vaderlandsloos’, ‘ik voel me zo los en zo vervreemd van alles dat ik er ook tegenop zie terug te komen’, ‘het “familieleven” ben ik ontwend en apprecieer ik niet meer’, ‘eenmaal op zee is de verstandhouding met het land meestal een misverstand’. Wie deze berichten leest begrijpt hoe letterlijk de laatste strofe van ‘Brieven op zee’ kan worden opgevat, en hoe het schip alles vervangt wat in een vorig bestaan – het leven aan land – regel en maatstaf was. Het bekende aan land wordt omhuld door een waas; men hoort bij het schip en bij de zee. Toch blijkt het een haat-liefdeverhouding te zijn. In ‘Zeemans herfstlied’ (eveneens uit Een eerlijk zeemansgraf) verzucht de dichter:

Had ik nu een needrige hoeve
En kinderen spelende buiten,
Om aan de beregende ruiten
Gedachtloos gelukkig te toeven.Na ‘t zwerven en stuursche staren
Over de eeuwige zee,
Na ‘t eindloos tumult van gevaren:
De stilt’ van een vredige stee. –

De poëzie van Slauerhoff is soms zeer direct, concreet en openhartig. Ook zijn brieven hebben deze eigenschappen. In een brief aan J.W. Schotman (21 januari 1930) schreef hij zonder omwegen over wat goede van slechte poëzie onderscheidt: ‘Jij hebt zo’n eerbied voor overgeleverde vormen dat je eigen werk dat bloeien moet uit zich zelve er a.h.w. onder bedolven ligt. (…) Het eerste deel in de moeilijke stanza’s is omslachtig breedsprakig en vaag. In het laatste waar je tenminste het rijm loslaat wordt het dadelijk lichter gracieuzer direkter. (…) De abstracte verzen zijn de slechtste.’

Slauerhoff was natuurlijk geen tegenstander van overgeleverde vormen. Integendeel, zoals blijkt uit zijn sonnetten maakte hij er gretig gebruik van, maar hij vond ze kennelijk meer een middel dan een doel. Hij merkte in de brief aan Schotman ook op dat alles wat bezielt goed is, en alles wat bezongen wordt vals. Dit alles lijkt te duiden op een poëzieopvatting waarin voor ijle woorden, geëxalteerde verzen en wereldvreemde lyriek geen plaats is.

Toch was in het begin van zijn poëtische loopbaan nog geen sprake van concrete, directe poëzie. In een bespreking van de eerste bundel Archipel (1923) merkte Nijhoff bijvoorbeeld op: ‘Het is moeilijk over de gedichten van Slauerhoff te schrijven, omdat hij zelf, schijnt het telkens, ontweek ze te schrijven. Nimmer troffen mij zo sterk, en op éénmaal alle tegelijk, al de manieren waarop een schrijver vermijden kan, datgene direct te zeggen wat hij eigenlijk zeggen wil. Deze gedichten zijn vermaskeringen, (…) verraden onder hun hardheid die onhandigheid en hun brutaliteit die verlegenheid blijft, een zekere uiterste spanning van nerveuze sentimentaliteit.’

Sommige gedichten zijn inderdaad afstandelijk, omdat ze appelleren aan een kosmopolitische leeshouding. Ze gaan over een wereld die buiten het gezichtsveld van de honkvaste lezer ligt, over exotische plaatsen die lijken op te gaan in een grensgebied tussen realiteit en fantasie. Andere gedichten zijn uitermate helder, toegankelijk en concreet, bijvoorbeeld het wrange ‘In mijn leven…’ (uit Serenade, 1930) en het beklemmende ‘In memoriam mijzelf’ (het slotgedicht van de postume bundel Al dwalend), waarin de dichter onomwonden zegt: ‘Al is mijn ziel verminkt, / Mijn lijf voor driekwart dood.’ Hoewel Slauerhoff in de laatste regels van dit gedicht wenst dat men hem na zal geven: ‘Hij leidde recht en slecht / Een onverdraagzaam leven’, is het alleszins mogelijk dat hij liever iets anders wenste dan zo’n bittere herinnering. De voor de hand liggende interpretatie van dit gedicht – een rücksichtslos, cynisch zelfportret – is geloofwaardig, maar het is zeker mogelijk om in de harde woorden ook een vleugje nostalgie te lezen: ‘(…) mijn innerlijk, / Eens vroeg licht als Parijs, / Nu ‘t poolgebied gelijk.’

Misschien had Nijhoff gelijk toen hij beweerde dat de gedichten vermaskeringen zijn. Misschien moest de brutale toon verlegenheid verbloemen, omdat de schrijver zijn ware aard liever voor ons verborgen hield. Verlangde de bohémien Slauerhoff meer naar het huiselijke leven dan hij toegeven wilde? Betreurde hij de breuk met het verfoeide vaderland? Vond hij – de verdoemde dichter – in de brieven die hij kreeg nog een rest van een vroeger bestaan, een herinnering die hij eigenlijk niet afzweren wilde? Het sonnet ‘Liefdesbrieven’ (uit Al dwalend) geeft inderdaad reden tot twijfel:

Een brief kan men daags, nachts, elk oogenblik
Dat men ze bij zich heeft, te voorschijn halen,
De teederheid er uit op laten stralen,
De woordjes lezen, denkend: zoo ben ìk!

Slauerhoff heeft een rusteloos leven geleid. Hij maakte vele reizen als scheepsarts, probeerde zich te vestigen als huisarts in Tanger, maar ging uiteindelijk weer varen. Hij bleef hardnekkig foeteren. Vooral Holland moest het ontgelden; hij keerde tegen wil en dank terug naar zijn geboorteland. Maar zijn zwerflust, escapisme en tegendraadse aard mogen in ieder geval als een zegen voor de literatuur worden beschouwd, want ze hebben een onalledaags, belangwekkend oeuvre opgeleverd.

Bronnen:
Slauerhoff in zelfbeelden, Etto Krijger; Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2003
Kritisch en verhalend proza (Verzameld werk II), Martinus Nijhoff; Bert Bakker, Amsterdam 1982

 

Geplaatst in Klassiekers.