Schuilen onder de buik van een paard

Twaalf jaar geleden zorgde de Zweedse Academie voor een aangename verrassing door de Nobelprijs voor Literatuur aan de vrijwel onbekende Poolse Wislawa Szymborska toe te kennen. Er was weliswaar het een en ander van haar vertaald, door onder andere de uitmuntende Nederlandse vertaler Gerard Rasch, maar het ‘grote publiek’ maakte pas in de daaropvolgende jaren kennis met Szymborska’s hoogst originele poëzie. Als je de gedichten van de Finse Sirkka Turkka (1939) leest, zou je de Nobelmannen en -vrouwen in Stockholm haast eenzelfde wijsheid als in 1996 toewensen.

Of de dichteres daar zelf ook op zit te wachten, is vers twee. Ze leeft in betrekkelijke afzondering op het Finse platteland, omringd door paarden en honden, haar lievelingsdieren – ze werkte lange tijd als stalknecht. Het is de verdienste van vertaler Adriaan van der Hoeven dat wij in Nederland en België nú al kennis kunnen nemen van Turkka’s indringende, oorspronkelijke gedichten. Meander mocht een selectie maken uit de weergaloze verzamelbundel De hond zingt in zijn slaap (de Bezige Bij) en wilde natuurlijk ook met de aanstichtster van al dit moois spreken. Dat bleek minder eenvoudig dan gedacht. Sirkka spreekt enkel Fins, heeft geen e-mail en treedt bovendien niet graag in het voetlicht. Uiteindelijk bleek haar agente Terhi Isomäki bereid om onze vragen in het Fins te vertalen en ze persoonlijk aan de dichteres voor te leggen, waarvan akte.

Sirkka Turkka, op het eerste gezicht lijken uw gedichten snel, zelfs impulsief geschreven. Hoe komen uw gedichten tot stand?
Normaalgesproken dienen mijn gedichten zich in gedeelten aan. Maar kortere gedichten schrijf ik ook wel eens in één ruk. Ik draag veel gedichten jarenlang mee in mijn hoofd en soms sta ik versteld hoe uiteindelijk allerlei verschillende dingen samenvallen. Het heeft absoluut geen zin om jezelf te dwingen een gedicht te schrijven. Eerst moet het gevoel – de ‘geest’ – er zijn.

Op de website van Poetry International valt te lezen: ‘Sirkka Turkka lijkt soms meer warmte en begrip te voelen voor dieren dan voor mensen. Mensen kunnen aanmatigend zijn en – waarschijnlijk veel belangrijker – mensen kunnen je in hun liefde en liefdeloosheid beschadigen. Enige afstand is gepast. Uit zelfbescherming.’ Herkent u zichzelf in deze beschrijving?
Niet helemaal, want er zijn ook aardige mensen. Aardig is aardig, dat geldt zowel voor dieren als voor mensen. Maar ik heb in mijn leven veel tijd met dieren doorgebracht. Het was mijn werk, niet louter een hobby. Die drang om het gezelschap van dieren op te zoeken stamt uit mijn jeugd, toen ik vaak eenzaam was. Ik ging dan bijvoorbeeld onder de buik van een paard zitten.

Wat irriteert u het meest aan mensen?
Veel mensen zijn zo enorm dom. Ik houd van mensen die de touwtjes van hun leven in eigen hand houden, mensen dus die weten waarom ze hier zijn. Ik heb vooral moeite met de zelfzucht van de mens. Daar zien we overal om ons voorbeelden van. De mens is het onnatuurlijkste wezen in de natuur, ja, het enige onnatuurlijke wezen. Hij ageert immers vaak tégen het leven.

Wat zouden wij dan van dieren kunnen leren?
Hun pro-leven houding. Dieren zullen altijd vóór het leven handelen, niet ertegen.

Maar u schrijft gedichten, die enkel door mensen gelezen kunnen worden. Is poëzie voor u de ideale brug tussen het bekende en het onbekende, het zegbare en het onzegbare?
Ja. Ik schrijf vaak in trance en voel me dan een soort medium. Ik denk daarbij nooit aan eventuele lezers. Het is natuurlijk leuk dat men mijn poëzie leest, maar ik zal mij nooit tot de lezer ‘richten’.

Uw Nederlandse vertaler Adriaan van der Hoeven, schreef in een portret van u voor Poetry International: ‘Het zou me niet verbazen als ze elk nieuw gedicht eerst voorleest aan haar dieren’. Zijn dieren inderdaad goede luisteraars voor u?
Nee, Adriaan maakt een grap. Maar in Nederland moest ik wel ooit voor een tv-programma een gedicht aan een hengst voorlezen. Dat is natuurlijk alleen maar romantisch gedoe. Maar dieren, en vooral hun lot, inspireren mij zeer. Net als mensen hebben dieren vaak een treurig, pijnlijk lot. Ze vormen echter niet mijn publiek.

Uw gedichten fungeren vaak als een frisse douche voor de lezer. Hoe komt u op originele beeldspraak als: ‘en iedere avond / stemmen de honden hun gebarsten violen’ en ‘een donkere wolk als een tengere jongen / die wil trouwen’?
Ik ben geen hoogleraar in de letteren en laat de interpretatie van mijn gedichten en hun totstandkoming graag aan anderen over. In de voorbeelden die u noemt verenig ik twee verschillende dingen. Door die combinatie ontstaat er iets nieuws. Dat is creativiteit, niks anders. Creatie.

Honden en paarden zijn nadrukkelijk aanwezig in uw poëzie. Honden lijken min of meer zichzelf in uw teksten, maar paarden komen in allerlei metaforische verschijningen voor – als symbool voor de dood en voor oorlog, en als een droomfiguur, bijvoorbeeld. Waarom dit verschil tussen deze twee diersoorten?
Ze worden niet echt verschillend van elkaar geportretteerd. Maar een hond is natuurlijk wat alledaagser, staat dichter bij de mens. Paarden houden zich op een bepaalde afstand op, ook in psychologisch opzicht. Het verschil komt meer uit de dieren zelf. Allebei kunnen ze mensen begrijpen, maar ieder op zijn eigen manier. Deze vorm van bewustzijn, waaraan uw vraag refereert, is geen deel van mijzelf, noch van mijn gedichten. Alle inzichten in mijn gedichten komen van de geest, de kracht die Sirkka aan het schrijven zet.

Zijn er ook dichters die u bij het schrijven inspireren?
Ja, velen. Vooral García Lorca en Neruda. Maar ook diverse Zweedse dichters.

Wat maakt een gedicht tot een werkelijk goed gedicht voor u?
Een goed gedicht herken je meteen. Er staat geen woord teveel in, het bevat enkel het hoognodige en geen spoor van pronkzucht of aandachttrekkerij. Ik hoef een gedicht maar een keer te lezen of te horen, of ik weet of het geslaagd is of niet.

De zomer vernielt de architectuur van het bos, winter brengt rust, lezen wij in een van uw gedichten. Voelt u zich prettiger in dit laatste jaargetijde?
Ik houd het meest van de herfst. Het komt vast door mijn melancholieke inborst dat ik meer aangetrokken wordt door de herfst en de winter. De zomer bedekt alles. Je kunt nauwelijks nog stammen of takken zien. Het is mij allemaal te bossig.

U gebruikt veel andere talen in uw gedichten, waaronder Engelse, Duitse, Italiaanse en zelfs Baskische woorden. Is daar een speciale reden voor?
Niet in het bijzonder. Woorden dienen zich bij mij aan en vinden vervolgens een plekje in mijn poëzie. Ook Finse woorden vinden zo hun plaats. Ze glippen allemaal naar binnen.

U was in 2001 te gast op Poetry International. Hoe beviel dat?
Heel goed. Het was allemaal prima geregeld. Ik werd hartelijk ontvangen en het publiek leek mijn gedichten te waarderen. Een bijzondere ervaring, zeker als men bedenkt dat ik normaalgesproken in stilte leef.

Wat kunnen wij van u in de naaste toekomst verwachten?
Dat is een vraag voor God die ík zeker niet kan beantwoorden. Niemand kan dat. Ons bestaan is vluchtig.

Geplaatst in Interviews en getagd met .