Schrijven moet schuren

Nico Dijkshoorn werd wereldberoemd op het Nederlandse web met zijn rake columns over Big Brother I. Intussen is hij ook niet meer weg te denken uit de gedrukte media. Sander de Vaan sprak met hem over wasberen, kwetsgrenzen, de bandenspanning van Jezus en wezenloze voetbalkoppen.

Enkele maanden geleden publiceerde je in Hard Gras een bijzonder komisch, ontroerend verhaal over de legendarische Drentse voetballer Kuif den Dolder – althans legendarisch sinds de publicatie van jouw stuk. Hoe ging die bal voor jou daar in Uffelte aan het rollen?
Het viel mij op dat, in welke kantine je ook komt, op welk schoolplein je ook staat te wachten en langs welk voetbalveld je ook staat te kijken, mannen elkaar anekdotes over oud-voetballers staan te vertellen. De bekende verhalen. Hij schoot van zestig meter een wasbeer van de lat, hij bouwde in zijn eentje het hele clubhuis, oh wat was hij dronken toen tijdens die beslissingswedstrijd. Die enorme hunkering bij mensen naar een oervoetballer. Ook als het over Willem van Hanegem gaat. Wat at hij, wat zei hij, wat flikte hij Ernst Happel allemaal? Volwassen mannen kunnen janken als ze dat soort verhalen staan te vertellen. Abe Lenstra en het grote geld. Hij zei nee. Dat soort gedoe. Ik dacht: om van het gezeur af te zijn schrijf ik een verhaal over een voetballer die al die verhalen in zich draagt. Dat is Kuif den Dolder geworden. Een voetballer van wie je wilt dat hij heeft bestaan. En misschien is dat ook wel zo. In het voorjaar van 2009 publiceer ik bij Nieuw Amsterdam het levensverhaal van Kuif.

Aanvankelijk blogde je vooral, daarna begon je ook voor gedrukte media te schrijven. Kun je voor degenen die je werk nog niet kennen hier vertellen hoe het zover is gekomen?
Ik werkte in Bibliotheek Amstelveen als Hoofd Verrassingen. Dat was een vrije taak. Van mij werd eigenlijk niets anders verwacht dan dat ik onze lezers een paar keer per week tegen iets bijzonders aan liet lopen. Ik heb daar goede herinneringen aan. Vrouwtjes met een Ludlum onder hun arm die doodsbang naar een vitrine vol aardappels en een gedicht van Cees Buddingh keken. Ja, meneer, toen was ik al een soort van kunstenaar…
´s Nachts schreef ik verhalen, maar alles veel te lui en te langzaam. In de eerste uitzendweek van Big Brother 1 heb ik mijzelf een enorme schop onder mijn reet gegeven. Ik heb over elke aflevering – het waren er 130 in totaal – een lang stuk geschreven en dat op internet gezet, steeds maximaal drie kwartier na de uitzending. Dat werd meteen enorm gelezen. Tienduizenden mensen bezochten de website. Daarna ging het hard. Ik heb media-columns geschreven voor Veronica, schreef voor steeds meer tijdschriften, waaronder voetbaltijdschrift Johan, en via Johan werd ik gevraagd voor de Volkskrant. Daarnaast schrijf ik veel voor televisie. Café de Wereld bijna vier jaar lang, Draadstaal en Dit was het nieuws. Ik schrijf nu gemiddeld vijf stukken per week en werk aan twee boeken tegelijk. Wel gewoon aan één bureau. De boeken maken ook geen deel uit van een allesomvattende cyclus.

Je publiceert in rap tempo over van alles en nog wat: voetbal, politiek, beenham, Idols… Waar haal je al die energie vandaan?
Woede en verbazing. Meer is het niet. Ik heb onderwerpen te veel. Laat mij naar een slager lopen en ik kan een week vooruit. Het liefst zou ik iedere dag in een groot dagblad schrijven. Stinkjaloers ben ik op Martin Bril. Een dag niet schrijven voelt als spijbelen.

Voor mij ben je een beetje de Tommy Wieringa onder de columnisten. Zo sprankelend als zijn roman Joe Speedboot is, zo verfrissend zijn veel van jouw teksten in vergelijking met het werk van de gemiddelde Nederlandse columnist. Heb je nog schrijvende idolen aan wie je je spiegelt?
Dank je. Sprankelend. Ik zal het aan mijn moeder doorgeven. Spiegelen is het verkeerde woord. Ik las wel heel graag de sportcolumns van Jan Mulder. Ik genoot vooral van het maandagochtendmoment. Wakker worden, trap af en weten: Mulder ligt op de mat. Kon ik me enorm op verheugen. Hij zat er bijna nooit naast. Daarom ben ik wel heel erg blij met mijn maandagochtend-column, op de oude sportplek van Mulder. Het klinkt lullig, maar als er maar een paar mensen zijn die zich net zo verheugen op mijn column, dan is het goed. Verder lees ik eigenlijk geen andere sportcolumnisten. Ja, Johan Derksen, dat is vaste prik natuurlijk. Voetballers en trainers kapot schrijven, dat doet hij fantastisch. Van de niet-sportcolumnisten lees ik Martin Bril heel graag. Gerrit Komrij op zijn website. De columns van A.L. Snijders. Maar altijd om de gedachte. Ik lees nooit technisch.

Over gedachten gesproken. Je kreeg laatst het Meldpunt Discriminatie Internet en een aantal geschokte christenen over je heen vanwege een column waarin je het besluit van Staphorst, Kamperzeedijk en Genemuiden aan de kaak stelde om de dodenherdenking dit jaar een dag te vervroegen. Kort daarop verdween de cartoonist Nekschot een dagje achter de tralies. Staat de vrijheid van woord en beeld op de tocht?
Nee, in het geheel niet. Ik ben daar ook helemaal niet mee bezig tijdens het schrijven. Ik merk de laatste tijd dat ik een beetje de naam krijg een christenhater te zijn, maar het ligt genuanceerder. Christenen doen blijkbaar toevallig allemaal dingen die ik haat. Dat heeft meestal te maken met de belerende toon. Die triggert mij enorm. Mensen die met een boek vol regels – of dat nu de Bijbel is of een handleiding voor de nieuwe Fiat Punto – naast mij gaan staan oreren wat wel en niet mag, die krijgen er van langs. Hoeveel bandenspanning Jezus eigenlijk moet hebben, daar lees je dan bijvoorbeeld weer nooit iets over. Verdiep je daar dan eens in, denk ik dan.

Waar ligt voor jou de kwetsgrens bij het schrijven van je columns?
Er is geen kwetsgrens. Je wordt gekwetst, je voelt je gekwetst, je laat je kwetsen. De grens ligt voor mij altijd bij de ontvanger. Als een tekst van een ander je kan kwetsen dan zegt dat iets over de gekwetste. Kwetsen heeft bijna altijd met dogma´s te maken. Met vastgeroeste ideetjes hoe de wereld in elkaar zit. Rare denkbeelden over etiquette en hoe andere mensen zich zouden moeten voelen. Voor mij ligt de grens dus bij de wet. En zelfs daar heb ik onder te lijden. De wet is, in mijn beleving, toch vooral opgesteld door mannetjes die geloven in het huwelijk, in god en gezond eten. Niet echt mensen waar ik mij door vertegenwoordigd voel.

Maar stel, Nico Dijkshoorn zit zomaar opeens op het regeringspluche: tot hoever zou je die gezonde-gelovige-getrouwde-mannetjes-wet oprekken? Mag men dan bijvoorbeeld ook, zoals collega-columnisten in het verleden deden, iemand een hersentumor toewensen of hopen dat hij onder de tram belandt?
Ja, dat mag. Ik zou het zelf niemand snel toewensen, maar als iemand dat wil schrijven, dan moet dat kunnen. Het geeft inzicht in de psyche van de schrijver. Ik lees nu bijvoorbeeld de biografie over Van Agt. Ik heb helemaal niets met deze ijdeltuit, die van de politiek definitief een egomaan mediahebbedingetje heeft gemaakt, maar ik lees wel graag, in allerlei persoonlijke stukken, hoe hij daartoe is gekomen. Hetzelfde geldt voor de bekende beledigingen van Theo van Gogh. Grapjes maken over Jodenverbranding en suikerziekte, het leest niet lekker, maar het schuurt wel. Als schrijverij schuurt, dan heeft het mijn aandacht. Een boek van Céline lezen en meteen daarna zijn fascistische pamfletten, dat zet je aan het denken. Oud en Eenzaam lezen van Gerard Reve en meteen daarna een interview waarin hij bloedserieus uitlegt dat negers minder schedelinhoud hebben dan blanke mensen. Het moet allemaal kunnen, want het geeft uiteindelijk inzicht.

In je stukken heb je het onder meer over Louis van Gaal, Amy Winehouse en de zaadkennis van Peter R. de Vries. Zijn er personen en onderwerpen waarover je graag zou schrijven maar die op de een of andere manier (nog) niet met jouw pen te vangen zijn?
Ik heb wel eens geprobeerd te beschrijven waarom ik Kind of Blue van Miles Davis zo´n mooie plaat vind. Dat werd pathetische woordenstront. Een vloeistofdia van Pink Floyd maar dan in tekst, denk daar maar aan. Wat muziek bij je losmaakt is bijna niet te beschrijven. Ik heb het nog een keer geprobeerd in een verhaal voor het tijdschrift WahWah. Ik beschrijf daarin wat een Frans meisje voelt als zij voor de eerste keer het stotende kruis van Robert Plant aanschouwt met die ongenadige gitaar-riffs van Page er overheen . Het zal haar leven voor eeuwig veranderen. Maar echt beschrijven wat muziek losmaakt, dat is mij tot nu toe niet gelukt. Misschien moet ik dat ook helemaal niet willen.
Voor een tijdschrift heb ik ooit Mental Teo, de sympathieke varkensslachter DJ, geïnterviewd. Hij dacht dat ik hem kwam interviewen over zijn surfboard en ik wilde alleen maar weten of hij nog wel eens een broodje ham bij een tankstation kocht. Dat is me ook niet gelukt, dat interview uit te schrijven. Allemaal door ijdelheid denk ik. Tijdens het uitwerken dacht ik vooral: wat een verspilling van tijd. Waarom moeten mensen weten wat Mental Teo denkt en voelt? Ik heb het allemaal weggegooid. Verder is er niet veel waar ik van schrik. Tik een woordje in google en ik zit meestal bij de eerste tien treffers. Er is weinig waar ik niet over schrijf.

Schrijf je ook gedichten?
Omdat verder toch niemand een online tijdschrift leest, kan ik hier wel verklappen dat ik me erg bemoei met de gedigten (geen gedichten) die de stadsdichter P. Kouwes schrijft. Kouwes is een totaal ongeletterde Amsterdamse proleet die van alles door zijn enorme lichaam voelt razen en daar op een of andere manier uiting aan wil geven. Doet hij dit in prozavorm, dan levert dat een onleesbare eruptie van interpunctieloze oertaal op. Uit hij zich in gedigten, dan klopt opeens alles. Ik heb langzaam zijn vertrouwen weten te winnen en sinds een jaar of twee gooit hij af en toe een bundel gedigten, met een stuk touw er omheen, bij mij voor de deur. Het gaat inmiddels om duizenden gedigten, waarvan hij er zelf veel heeft gepubliceerd in de reactiepanelen van de website GeenStijl. Henk Spaan, fan van het eerste uur, schreef al eens een artikel over zijn gedigten in het tijdschrift Onze Taal. Zelf schrijf ik geen gedichten, maar ik vind het wel een eer om Kouwes zijn werk te verzamelen en te ordenen. In september verschijnen zijn eerste 1000 gedigten bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. Je wilt een voorbeeld?

Gelukkige slachtkuikens

zijn
het wel
slachtkuikens
ze lijken
zo
gelukkig

 

Welke dichters lees je verder graag?
Ik lees graag gedichten van Bukowski, van Gerard Reve, Jan Arends, Johnny van Doorn, Cornelis Vaandrager, Cees Buddingh en Riekus Waskowsky.

Het EK is inmiddels in volle gang. Ik zag in Zwitserland dat verschillende selecties bijna volledig van de buitenwereld worden afgeschermd. Je zou bijna denken dat spelers zich rot schrikken wanneer ze tijdens een wedstrijd weer een paar mensen van vlees en bloed zien. Knuffelen de media het spél niet dood?
Daar heb je geen EK voor nodig om die wezenloze voetbalkoppen te observeren. Het is al jaren onomkeerbaar. Spelers vinden dat juist lekker. Ik schreef er al eens over in de Volkskrant. Ik zag vorig jaar de selectie van Ajax ergens in Lisse uit de bus stappen. Ze moesten daar een oefenwedstrijd spelen. Bijna 400 kinderen stonden al twee uur te wachten bij een hek en geen enkele speler keek ook maar op of om. Stond denk ik niet in het contract. Zo zit de voetballerij inmiddels in elkaar. Jongetjes als Huntelaar zijn binnen een jaar vergeten dat ze zelf dat jongetje tegen het hek waren.

Welke speler is voor jou dé voetballer van de afgelopen vijftig, zestig jaar?
Dat moet toch Willem van Hanegem zijn. Ik zag nog niet zo lang geleden enkele wedstrijden van het WK 1974. Geen samenvattingen, met alleen maar weer de doelpunten van Cruijff er in, maar hele wedstrijden. Van Hanegem was zestien keer beter dan iedereen. Iedere pass komt aan. Alle balletjes zijn geniaal. Hij is hard. Hij is slim. Ik heb eigenlijk nooit een betere voetballer gezien.

Geplaatst in Interviews.