Gedichten

Doorgaande trein

Reizen zit ons in het bloed,
we zijn al weg en we twijnen
ritmisch een ragfijne rode draad.
Het is al laat, een oranje avondzon
huppelt losjes over de einder.Wat
een schijnvertoning toch.
Het begon zo goed, het vertrek,
het begon heel vroeg (dat klinkt
als de verleden tijd van vragen),
alles was nog grijs en koortsachtig roze
en boterkoek en ei en de reis
kon volgens ons nog alle kanten op
en de koffers waren vol en zwaar
van de moeilijke schoenen en
de onverteerbare heilige boeken
en allerlei zanderig etenswaar. Hebben we alles?
We hebben alles.Van alles
moet je bij je dragen: plaatsbewijzen,
paspoort, geld, glimlach, geweten. Zo gaat dat,
je kijkt opgetogen naar elkaar,
zitten we goed ? We zitten goed.
Maar al spoedig worden we meewarig
van langdradig dagdromen.
Alfabetten raken door de war,
de inkt blijkt ondrinkbaar,
tanden wisselen in de mond,
het woord wordt worst,
de tong zit in de tang.
De ene hand slaapt allang,
de teen knakt bij het bewegen.
Het licht gaat aan en uit
(er is geen verband).
Akkers verbrand, land omgeploegd. Rode tractor.
Wagen met roestige Mannesmann buizen. Steden
zonder geluid, verkeerswormen, lampen
zijn ogen. Huizen zonder ramen,
zonder daken. Hijskranen. Stations.
Een rivier die een bocht maakt, op de rivier
een zwart grintschip met een zwarte vlag.
We laten alles achter ons.

Winden jagen wolken
geeft niet waarheen, ze kruipen
eerst in cadans, samen
de schoorsteen uit.
Ze maken een soort contradans. Dan
gaan ze uiteen, en verdwijnen, confuus,
met een doelloosheid
om jaloers van te worden.

Reizigers stappen in en uit,
is er een nu zonder toen –
dat weinig of niets is ( een terug
is er niet) – of zonder straks,
dat nog niets is? Ze gaan
van A naar B, en heen
of doen alsof zij slapen, zoals de twee
die elkaar vonden op een perron,
een kwestie van knikken en inschikken.
Ze gaan in elkaar op. Zij vraagt erom
gekust te worden. Wil hij iets anders?
Hij neemt haar hoofd
tussen zijn handen. Na de kus
veegt zij haar mond af. Wat zullen ze doen
als ze klaar zijn met de liefde?
Voelen ze zich dan misleid
door het verlangen, gevangen
in een vage verwachting, een spin
in het midden van een bibberend web?

De slager, die hardop doomt
dat hij achtervolgd wordt
door een zwijn. Er zijn legio zwijnen,
zo horen wij.

De ambtenaar in zijn hoek:
zwart koffertje tegen de borst,
denkend aan vertrouwelijke stukken,
bijlagen, parafen. Nergens
een rode fout die alles rechtzet.

De vrouw met de hazenlip, een kind
met een broodkorst uit de mond
op schoot en op haar schoot
een pluchen hangoor, een hond
zonder brood of een konijn met roze sokken
half uit. Ze bungelen, alsof ze leven.
Nog niet, zegt de moeder, nog niet,
nog even, liefje.

De schrijver die dit opschrijft
en het vervolg niet kent.

de worm
die zich door het witte vlees
van de vrucht knaagt
hij weet niet dat de appel
straks vallen zal
de spin
die aan zijn draad
maar wat graag
door zijn hoge hemel zweeft
de zilveren distelpluizen
die opeens met tientallen tegelijk
losraken van hun plant
alsof een onzichtbare hand
een berispend teken geeft
de vlieg
die zoemt en zoemt
voor de keukenruit
en telkens weer zijn kop stoot
zoemt doet
alsof zijn neus bloedt zoemt
en zoemt
zijn verhaal kent geen herhaling
het verleden
dat alsmaar
vraagt en dichterbij komt
nog niet nog niet
het idee
dat de juiste expressie zoekt
de trein
die door een duistere tunnel rijdt
de hete spijs
die door een slokdarm glijdt
het zaad
dat in een schoot
zijn prooi grijpt
het eeuwige gif
dat razend door de aders loopt
de opgetogenheid
die in zwartgalligheid verkeert
of omgekeerd
en hier begint opnieuw
de geschiedenis van het vraagteken

En de lezer die dit leest,
die stilletjes meeleest
en af en toe naar buiten kijkt,
verstandig. Het landschap
verandert snel. De bergen
zijn nu paars en bruin en dof
als cacaopoeder, bomen worden krommer
en schaars en schimmig. Herinneringen
voeren je terug. Niets
als voetnoten, een ijzeren wet.
Zij kiezen zichzelf uit, of
waren bij voorbaat al verloren geraakt.
Hoe groot en diep en vaag
kan weemoed zijn. Een rode bloedspat
op een gescheurde kaart. Geen weg te zien,
geen hoogtelijnen, slechts schaduwen
van schaduwen. Een maan, wazig,
in verbandgaas.
De zon verdwijnt
achter iets dat hij zelf
onzichtbaar maakt.

 

De dingen die je dacht

Dit zijn herinneringen aan gedachten. Mieren willen niet graag de inktpot in, ze lopen liever over vingers en armen. Bomen zijn van hout gemaakt. Als je bij de zaagmolen een sok vult met zaagsel lijkt hij op een afgezaagde voet. Maar dan zonder bloed. Witte kippen hebben rode kammen. De kammen zijn slap. Kippen hebben geen haar. Krabben gaan wild dansen en krassen en vechten als de pan heet wordt. Ze hebben puntige poten waarmee ze elkaar de ogen proberen uit te krabben. Een koekoek komt niet uit een ei maar wordt in de oven gebakken. Aardappelen groeien aan een boom onder de grond. Meisjes hebben vlechtjes waarmee ze de hemel ingetrokken worden. Ze moeten altijd oppassen. Als ze hun benen te wijd open doen splijten ze een beetje en dat doet erg zeer. De zon schijnt niet altijd op zondag. Hooiwagens zijn eigenlijk spinnen, maar ze hebben soms maar zeven poten, soms zes. Ze kunnen niet op één been staan zoals wij. Frambozen zijn het lekkerst als het onweert. Licht maak je uit met heel veel donker. Oorwormen wonen in notendoppen. Onder zwart zand zit geel zand en als je heel diep graaft vind je goudstof. Wormen hebben boren van voren. Wormen kunnen niet praten maar wel plassen. Dat doen ze in de grond. Een konijn hoort dingen langer. Mijn broer is bang voor honden en daarom zijn ze niet bang voor hem. Ze kunnen blaffen en zeggen dan iets. Wij weten niet wat. Later ga ik op school blaffen leren, zodat ik met de honden kan praten. De rode besjes van de hulst kunnen in de wasteil drijven. Ze kunnen niet verdrinken zoals kinderen dat doen.
 

Reisnotitie

Ging naar F.
Omdat het daar rustig is.
Omdat daar de straten leeg zijn.
Dat zeiden ze,
en dat was ook zo.
En omdat daar de zon schijnt.
Omdat daar de hemel
de kleur van eenzaamheid heeft.
Omdat je daar zee hebt.
Je hebt er zee en rotsen.
De golven bewegen wel,
maar zij hebben geen last van gevoelens.

Niet omdat zij er was.
Zij was daar
omdat het er rustig was.
Omdat men gezegd had:
daar zijn de straten leeg.
Je hebt er zee en rotsen
en bij laag water een klein strand.
Echt iets voor jou.
Zoiets.

Zij zat in de zon
op het witte zand.
Ze schoof haar rok omhoog
voor de zon.
Niet voor mij.
Ik zag haar daar,
zij zag mij niet,
ze keek niet op.
Ze nam wat zand
en keek hoe het
tussen haar vingers
wegliep.

Rustig is het daar, ja, in F.
Vooral in de nacht
als je uit het raam kijkt.
De maan gaat daar langzaam
over de zee.
Zachtjesaan, bijna
bedachtzaam,

zodat je haar niet vergeet.
 

Geplaatst in Gedichten.