Poëzie kan mensen verbinden

Moniza Alvi (1954) werd in Lahore geboren uit Brits-Pakistaanse ouders en verhuisde als baby naar Engeland. Ze werkte lange tijd als lerares aan een middelbare school en is momenteel verbonden aan het Open College of the Arts. Daarnaast wijdt Alvi zich al jaren aan de dichtkunst. Haar gedichten werden onder meer genomineerd voor de T.S. Eliot Prize en in 2003 verzorgde vertaler Kees Klok een fraaie Nederlandse bloemlezing van haar werk onder de titel Het land aan mijn schouder. Sander de Vaan had een mailgesprek met deze boeiende dichteres.

Moniza Alvi, hoe zou u zich aan de Nederlandstalige lezers willen voorstellen?
Ik ben in Pakistan geboren, maar verhuisde als baby met mijn Engelse moeder en Pakistaanse vader naar Engeland. Die gemengde achtergrond heeft mijn poëzie direct en indirect sterk beïnvloed. Ik ben in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw opgegroeid in Hertfordshire, waar toen heel weinig kinderen van gemengde komaf woonden. Als kind wilde ik graag hetzelfde zijn als de rest, maar later, toen ik volwassen was en al een paar jaar gedichten schreef, voelde ik dat ik misschien wel iets te vertellen had over dat andere, Pakistaanse aspect van mij. Het bleek een grote opluchting voor mij dat ik datgene wat zolang onzichtbaar was geweest zichtbaar kon maken. Mijn teksten hadden overigens altijd al een fantastisch element. In mijn jeugd was Pakistan voor mij een fantasie die gevoed werd door de verhalen van mijn familie, door uitzonderlijke cadeaus en de nieuwsberichten. Ik keerde echter pas terug naar Pakistan toen ik al volwassen was.

Wat voor gevoelens bracht dat weerzien bij u teweeg?
Mijn reis naar Pakistan – we bezochten tijdens diezelfde vakantie ook India – was maar moeilijk als één ervaring te verteren. Ik ving ontzettend veel glimpen op van van alles en nog wat en die bleken vaak ook nog tegenstrijdig. De grootste cultuurshock ervoer ik in de stad Varanasi: de mengeling van spiritualiteit, armoede en hooggeleerdheid, plus haar imposante ouderdom maakten diepe indruk op mij.

Hoe zou u uw eigen poëzie omschrijven?
Het kan interessant zijn om de bespiegelingen van een dichter over zijn eigen poëzie te lezen. Wie weet wordt er wel een of ander geheim onthuld… Maar het is onmogelijk om je eigen poëzie geheel te definiëren. Mijn gedichten zijn op het eerste gezicht ongecompliceerd, omdat ik vaak alledaagse woordwoorden gebruik in plaats van minder gewone. Ik doe dat omdat ik de lezer snel door de woorden heen naar het suggestieve hart van een gedicht wil lokken. Ik houd van sterke beelden en van transformaties. Soms heb ik het gevoel dat ik tot het kind in de volwassene spreek. Ik houd van experimenteren en breng graag een irreëel toefje in het leven van alledag aan. Het mysterie is voor mij een wezenlijk element in de poëzie. De fantasie, met haar subversieve kracht en haar band met de droomwereld en het onderbewuste, is een belangrijk poëtisch hulpmiddel. Onlangs heb ik een reeks gedichten geschreven die tezamen een gefragmenteerde identiteit moeten vormen. Verdeeldheid en splitsing treden in mijn geschriften niet alleen op tussen Oost en West, maar ook tussen de innerlijke wereld en de buitenwereld, tussen verbeelding en werkelijkheid.

Wat betreft Oost en West: in diverse gedichten, waaronder ‘The Suits’ en ‘Spit’, toont u hoe onvriendelijk uw vader opeens in de jaren zeventig door enkele ‘echte’ Engelsen behandeld werd. Hoe ging u daarmee om?
Voorzover ik weet werd mijn familie in mijn jeugd niet rechtstreeks met racisme geconfronteerd. Het was meer iets wat je wel eens op het journaal zag. Ik was dan ook behoorlijk geshockeerd door het incident dat ik in ‘Spit’ beschreven heb. Opeens kwam het toen heel dichtbij…

Hoe kan men mensen eindelijk zover krijgen dat ze niet alleen met hun verstand, maar ook met hun hart inzien dat een onderscheid op grond van raciale criteria volslagen onzinnig is?
Er zijn helaas nog altijd raciale verdelingen die een obstakel vormen voor interraciaal begrip. Neem bijvoorbeeld het ‘anderszijn’ dat door het dragen van een sluier gecreëerd wordt. Er is grote behoefte aan wederzijds begrip voor elkaars mening én aan meer integratie. Poëzie kan hier een rol spelen, door gemeenschappelijke aspecten van de mensheid te onthullen en ons aldus meer met elkaar te verbinden.

Een van mijn favoriete gedichten is ‘Island Daughter’, vooral de slotverzen zijn prachtig.

Dochter van het eiland

Rustig speelt ze op het eiland,
bang de kleintjes wakker te maken.
Een eeuw terug was ze zelf een peuter –

nu is ze ouder dan haar ouders.
Zij kijken samen met haar uit naar het teken –
het licht dat opflitst tussen de bomen.

Zodra de zee weet heeft van haar naam
zal ze stiekem verdwijnen
op een vlot overladen met alles

dat ze ooit nodig denkt te hebben,
met het zeil stevig vastgesjord
aan de mast van haar jeugd.

Vertaling: Kees Klok

Kunt u iets meer over het ontstaan van deze tekst zeggen?
‘Island Daughter’ maakt deel uit van een reeks gedichten die ik schreef toen mijn dochter een jaar of drie, vier oud was. Ik moest in die tijd denken aan de volwassen kiem die zij in zich droeg en hoe het kind in onze volwassenheid blijft voortbestaan. Ik heb waarschijnlijk ook gedacht aan de kennis van kinderen, want je kindertijd is in wezen een soort eiland van waar het avontuur in de wijde wereld begint.

Wat brengt u tot het schrijven van gedichten?
Misschien tracht ik diverse breuken te ‘helen’, maar ik geniet er ook van om met taal, beelden en ideeën te spelen. Ik vind het leuk om dat wat zich op de rand van je geest bevindt, en wellicht om aandacht vraagt, te vangen. Ik zie schrijven als communiceren met mijzelf en, wie weet, ook met andere lezers. Soms krijg ik inspiratie door te lezen of, terwijl ik aan het lezen ben, van de inspiratievonk die van andere schrijvers op mij overspringt. Persoonlijke en publieke voorvallen vormen de brandstof voor mijn gedichten, maar het zijn de taal en de verbeeldingskracht waarmee ik, met een beetje geluk, onder de oppervlakte kan duiken om datgene wat ik daar aantref tot het mijne te maken.

Welke schrijvers weten voor u zoal die vonk over te brengen?
Ik ben dol op de levendige, klankvolle poëzie van Sujata Bhatt, op de bijzonder imaginatieve, hoogstpersoonlijke maar allerminst bekentenisachtige gedichten van Pascale Petit en op het drama en de felheid in Vicki Feavers teksten. Ik bewonder ook het diepgewortelde mysterie van John Burnside. Stevie Smith spreekt in haar gedichten vaak op een heel aangename manier tot het kind in de volwassene. Maar dit zijn slechts een paar namen. Ik zou er nog veel meer kunnen opnoemen, uit binnen- en buitenland, van vroeger en nu.

Wat kunnen we van u in de toekomst verwachten?
Ik wou dat ik dat wist! Maar het feit dat ik dat juist níet weet is ook een mooi onderdeel van de uitdaging en het avontuur.

Geplaatst in Interviews en getagd met .