Gedichten

natuurmonumenten

Ook in woord gaat hij ons voor, de gids, broze dingen
van natuur bij de hand. Wij lopen onder een hemel
van gewassen blauw over de dijk in een mens vergeten
zomeravond uur.

Steeds meer karrevelden en inlagen schuiven aan ons
voorbij, kluten en lepelaars herhalen zich, zeekraal,
kwelbuizen en oude grondpatronen.

Zijn woorden zoeken hun plek in van zilt en woede
doortrokken verhalen. In bodemdiepe dorpen keert het tij
van elke dag op dode schreden met berichten van de zee.

Tot hier het teruggedrongen land, de geschouderde dijk,
lui water, dat zich spiegelt aan een nagebleven uur,
meeuwen, sterns, een tureluur. Gelig licht over voldongen,
als een veelbetekenend, dun lachen.
 

de werker

Hij wordt wakker van het dringen
van een dag, de ochtendspits, de
dunne handen op zijn schouders.

Hij is houder van records zonder
betekenis. Van zijn tijd bolt hij de
uren uit in bange dienstverbanden.

Door productielijnen overmand, zijn
hoge toon verzand in wrevel, wil
hij vandaag alleen maar rekenen in
soorten van verdwijnen, uit zijn
systemen weggeschreven zijn.

Vandaag wil hij plaatsvinden in
een fietser op een plein, een fietser
die rondrijdt op een plein en
regels terugzingt uit een droog
gevallen kinderlied.
 

Zoals J. de dag aansnijdt, brood en
licht verdeelt, de stilte onderhoudt
met de altijd groene woorden van ons
zwijgen.

Zoals haar huid in de morgen, hoe zij
dan kleren zoekt van kleine luister,
fietsend straten naar haar hand beweegt,
mensen aanroert en voedsel verzamelt.

Hoe zij mijn dode hoeken inricht met
wat van stug belang: voordeur, tafel,
bed, de buurtberichten, ons samenspant
tegen neergang, vormverlies.

Zoals zij soms haar twijfels rijgt,
bitterheden wisselt, als laatste lacht.

Hoe zij dan weer dagen aanspreekt op
hun beloften, ronduit zingt, zich innig
beschikbaar weet voor ons omarmen.

Zoals J. volhoudt dat ouder worden
een nablijven is waarbij de vege tekens
zullen verdwijnen.
 

Geplaatst in Gedichten.