'Absurdisme krijg je met de moedermelk mee'

Pat Donnez is bekend als interviewer, radiomaker, schrijver en dichter. Hij debuteerde in 2007 met de dichtbundel Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat). Zijn eerste kinderbundel Hotemetoten verscheen in 2008.

Om met de deur in huis te vallen: waarom schrijft u gedichten?
Altijd, altijd, altijd opnieuw moet je je als schrijver of dichter verantwoorden. Wat is dat toch? Ik heb mijn slager nog nooit gevraagd waarom hij slager is geworden. Weet niet hoe hij zou reageren trouwens, mocht ik het hem vragen. ‘Bert, zeg mij eens eerlijk, waarom verkoop jij varkenskoteletten?’ De kans is niet denkbeeldig dat hij zijn hakmes bovenhaalt.
En bovendien, denk ik, je wordt geen dichter, je bént het. Zoals je kijkt naar de dingen rondom jou, naar jezelf, naar de wereld. Met dichtersogen dus. Zijn dat andere ogen dan slagersogen? Niet noodzakelijk, nee. Ook een slager kan dichtersogen hebben. Maar een goede dichter gebruikt ze voortdurend en hij noteert ook nog eens wat hij ziet op zo’n manier dat je denkt: tja, zo had ik het nog niet bekeken.

Foto: Stephan Vanfleteren

Hoe zou u uw eigen stijl omschrijven?
Louis Paul Boon, de beste Nederlandse auteur van de twintigste eeuw – en nu we toch bezig zijn, van alle eeuwen daarvoor – zei dat hij geen apothekersflesje was. Hij wilde nergens bij horen, niet gelabeld worden. Ze noemden hem een miserabilist, een       socialist, een anarchist, een viezentist… Het maakte Boon geen zak uit. Ik ben verschrikkelijk op mijn hoede voor de apothekers die overal etiketten op willen kleven. Het enige wat ik hoop is dat mijn stijl heel erg herkenbaar mijn stijl is. Pat Donnez. Punt.

Wat is voor u het verschil tussen uw werk voor de radio en uw dichterschap?
Interessante vraag. Enkele lezers wijzen mij er op dat ik in mijn poëzie een spreektaligheid leg die ze van de radio herkennen. Terwijl sommige luisteraars mij dan weer waarderen omdat ik iets literairs in mijn radiopresentatie laat doorschemeren. Ze beïnvloeden elkaar, zeer zeker, en ik denk of ik hoop dat dit mijn werk – zowel literair als journalistiek – ten goede komt.

U schrijft gedichten in heldere taal, maar af en toe komt ook uw donkere kant naar boven. Hoe verhouden zich deze beide eigenschappen tot elkaar?
Misschien is dat nog het ergste, dat je je himmelhoch jauchzend zum Tode betrübt kunt voelen, en je daar heel helder bewust van kunt zijn. Je doet ook geen moeite om het te camoufleren of te sublimeren, nee de donkerte heeft je in haar macht en je laat je lezer zien hoe je daarmee moet leven of hoe je daar net niet mee kunt leven. Ik ben niet te beroerd om mijn zinnen te laten schrijnen, er mag ongeluk uit die zinnen spreken, jazeker. Ook ongeluk is een soort geluk. Het is een tegeltjeswijsheid die me op de been houdt.

Wat is volgens u de functie van humor in gedichten?
Om te beginnen: humor wordt in poëzie niet ernstig genomen. Sterker nog: het is not done, eigenlijk. Je wordt hooguit getolereerd als plezierdichter. Een soort Kees Stip-adept. Het Noorden heeft daar veel meer last van dat het Zuiden. Bij ons mag er al eens een grap passeren in een vers, heb ik het idee. Het is natuurlijk precair: voor hetzelfde geld heb je een mislukt cabaretier die zijn foute grappen op een ander publiek uitprobeert in de hoop dat zij er wel om kunnen lachen. Humor, om op je vraag te antwoorden, is voor mij overwonnen droefheid. 

In uw werk zit een bepaalde vorm van absurditeit die afwezig lijkt te zijn in het werk van Nederlandse dichters. Is dit een typisch Vlaams verschijnsel?
Dat hoor ik wel meer ja, vooral van lezers boven de rivieren. Ik was nog maar net in Driebergen bij Utrecht. ‘Je wéét gewoonweg dat jij uit Vlaanderen komt,’ zegt dan een aardige vrouw goedbedoeld. ‘Het klinkt zo…,’ begint ze, ‘absurd?’ vul ik haar aan. ‘Ja, ja,’ zegt zij dan weer, ‘je neemt me de woorden uit de mond.’ We moeten ermee leren leven, en natuurlijk zit er een grond van waarheid in. Onze schilders, Magritte en Delvaux voorop, hebben het ook. Alleen heet dat bij hen iets sjieker, magisch realisme of zo. Ook cabaretiers moeten het tot vervelens toe horen. Wim Helsen duikt onder tafel als hij het weer naar zijn hoofd krijgt geslingerd. België is natuurlijk een grap, een uit de hand gelopen grap weliswaar, maar toch. Het is hooguit een wankele constructie die nu al honderdtachtig jaar stand houdt. Je krijgt er het absurdisme met de moedermelk mee.

Bestaat er volgens u zoiets als Vlaamse en Nederlandse poëzie?
Deze vraag zou mij pakweg tien, vijftien jaar geleden uit mijn vel hebben doen springen. Hoezo, Vlaanderen, Nederland, we zijn al een zakdoek groot. Ook samen, waarom toch dat onderscheid? Ik weet nu dat ik toen dwaalde. Ja, er is een hemelsbreed verschil. Tussen Nederland en Vlaanderen en dus ook tussen onze poëzie. Het is een verrijking, moet je dan zeggen, en dat is ook wel waar voor wie beide soorten leest. Maar van die illusie ben ik genezen. Er staat een muur tussen ons beider naties, een muur van onwetendheid. We weten niets, niets, niets meer van elkaar. Hooguit de clichés. Hollanders maken lawaai, Vlamingen zijn bescheiden. Nederland neemt over, Vlaanderen wordt overgenomen. Nederlandse poëzie is breedsprakerig en talig, Vlaamse poëzie ingetogen en beeldend. Ach, er zijn genoeg voorbeelden om die clichés tegen te spreken, maar het klopt wel. En ook: als Vlaming raak je nauwelijks voorbij de grens. Probeer maar eens Vlaamse poëzie in een Nederlandse boekhandel te vinden. Een beetje De Coninck, ja, Elsschot natuurlijk en een verloren gelopen Nolens. Daar houdt het mee op. Onbegrijpelijk. Daar spreekt een dedain uit, een Hollands mépris voor Vlaanderen. Vlamingen zijn aardig, exotisch ook, we worden over het hoofdje geaaid, maar als het er op aan komt, tellen we niet mee. En nee, hier spreekt geen gefrustreerde jongen hoor, ik mag niet klagen, zit bij een sjieke, Nederlandse uitgeverij etc., maar de feiten zijn de feiten.

Wat verstaat u onder goede poëzie?
Er zijn gedichten die zo goed zijn dat ik ze, mocht ik minister-president zijn, verplicht zou willen laten voorlezen op de drukste straten en pleinen van het land. Wat ze zo goed maakt? De vorm, de kadans, het ritme, de woorden. Maar ook de vent: wat ze zeggen in zo weinig woorden. Neem de volgende dichtregel van Bas Rompa. ‘De onderste knoop/ van mijn winterjas hangt/ aan een draadje.’ Zo herkenbaar. Niet alleen die knoop, maar je hele leven gaat van dat draadje afhangen. Het gedicht heet ‘Hoop’ en eindigt met: ‘Zolang de knoop niet afvalt, blijft mijn vader leven.’ Dat is in enkele regels samengevat waar Tolstoj of een andere grote normaliter enkele duizenden pagina’s over doet. Wat een spanning. En de vragen waarmee zo’n zin je opzadelt. Wat is er met die vader aan de hand? Waarom is hij in gevaar? Gaat hij dood? Maakt die jongen zich wat wijs?

Hoe komt een gedicht bij u tot stand?
Je neemt een blad papier, een pen en je begint. Of beter, je hoopt dat het begint. Als je geluk hebt, gaan de woorden met jou aan de haal. Heel gek is dat. Hé, denk je, wat doet die pen nu toch? Het enige wat je dan te doen staat, is je hand volgen. Maar meestal gebeurt er niets en begin je tijdens het wachten op een inval of inspiratie zoals dat heet, in je neus te pulken, aan je knie te krabben, door het raam te staren…

Aan de bundel Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat) heeft u jarenlang gewerkt. Toch maakt deze bundel een vrije ongekunstelde indruk. Hoe verklaart u dat?
Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat) heeft me veel tijd en moeite gekost, dat klopt. Jaren slijpen en ook veel schrappen. Ik ben blij dat je dat vele werk niet leest, want dan zou het een slechte bundel zijn. Je kunt het vergelijken met hoe een goed acteur te werk gaat. Hij zal wroeten en zwoegen op zijn tekst tot hij hem helemaal eigen heeft gemaakt en het lijkt alsof hij hem ter plekke uit zijn mouw schudt. We hebben ze allemaal wel eens meegemaakt:, dat soort momenten dat het gebeurt en je als toeschouwer denkt: wauw, dit is fantastisch, hoe bedenkt hij het? Het lijkt werkelijk alsof de dingen hier en nu tot stand komen. Een vergelijkbare ervaring heb je als lezer als je middenin zo’n regel valt die lijkt te ontstaan op het ogenblik dat je hem leest.

Waarom heeft u daarna een bundel geschreven voor kinderen?
Eigenlijk was er eerst de kinderbundel, die lag al lang klaar. Maar mijn uitgever vond het veiliger om met een bundel voor volwassenen te debuteren. Je vermijdt het risico om de rest van je leven met het stigma ‘kinderboekenschrijver’ rond te lopen. Dat was de uitleg, ik verzin het niet. Om maar te zeggen: je hebt als debutant geen idee in welke gekke wereld je bent terechtgekomen. Gelukkig maar. Ik zou anders misschien wel ondergronds zjin gebleven. (lacht)

Wat is volgens u het verschil met poëzie voor volwassenen?
Gedichten schrijven is niet moeilijker dan bruggen bouwen voor een ingenieur dat is, denk ik. Of de Tour de France winnen als je Lance Amstrong heet. Ik bedoel, als je iets graag doet en met passie, wordt het bijna vanzelf gemakkelijk. De gedichten die ik voor volwassenen schrijf, rijmen niet, die voor kinderen vaak wel. Ik heb geen idee hoe dat komt, behalve dan: het mag af en toe rijmen, da’s lekker, de regels strak aan de leiband houden, dan voel ik mij een soort van bemoeizieke woordagent. Hotemetoten heeft trouwens niet toevallig als baseline: gedichten voor kinderen en andere grote mensen. Komma’s en punten, hoofdletters enzovoort kunnen de dichter helpen om zijn lezer het gedicht in een bepaalde zin te laten lezen. Maar soms is het gewoon spannender om het aan de lezer zelf over te laten en dan laat je de leestekens weg of je gebruikt ze slechts af en toe. Vrijheid, blijheid.

U bent momenteel te zien in theaters met muziek, verhalen en poëzie. Wat gebeurt er op het podium?
De toernee is geheel toevallig tot stand gekomen. Eigenlijk is het een uit de hand gelopen boekpresentatie. Ik wou mijn debuutbundel feestelijk presenteren en vroeg Chris Lomme (een monument in Vlaanderen) of ze mee wou doen, dat vond ze geweldig. Vervolgens vroeg ik een muzikant, de geniale Gerry De Mol, die al zat te repeteren nog voor ik het in de gaten had. Lore Dejonckheere is een jong meisje met een heerlijke stem, ook zij sprong op de kar. Begrijp me goed, voor één keer, dat was de bedoeling. Maar er zat een boekingsagent in de zaal die zei dat ik daarmee moest toeren, en bon, we zijn inmiddels aan onze vijftiende voorstelling toe. Na de eerste opvoering, in Hasselt was dat, wou ik alles lam leggen. Stoppen. Dacht dit werkt niet, we hebben geen band met het publiek, poëzie hoort op een nachtkastje thuis, niet op een podium. Maar na de voorstelling kwamen toeschouwers ons zeggen dat ze er echt van genoten hadden. ‘Waarom laat je dat niet merken?’ vroeg ik hen. ‘Ach,’ zeiden ze, ‘je zult dat nog wel zien. Vlamingen houden dat het liefst voor zichzelf.’ 

Wat mogen wij in de toekomst van u verwachten op poëziegebied?
Ik zit met een kinderbundel in mijn hoofd. Het titelgedicht is er al: ‘Opa sneeuwt’. Mijn oma is dement geworden. Maar omdat het gedicht op die manier te dicht op mijn huid zou gaan zitten heb ik van oma, opa gemaakt. Mijn tweede dichtbundel voor volwassenen komt er zo goed als zeker in 2010. Nooit stilzitten, zei mijn oma, daar val je maar van stil. 

 

Geplaatst in Interviews.