Klassieker 114: Tonnus Oosterhoff – De moy je m’épouvante

door Jeroen Dera

Meander Klassieker 114

Als in de derde akte van Bizets opera Carmen het boerenmeisje Micaëla in een wilde bergstreek de schuilplaats van de smokkelaars heeft gevonden waar ook Don José verblijft, zingt zij haar mooie aria ‘Je dis que rien ne m’épouvante’.
Gesteld dat Tonnus Oosterhoff een operaliefhebber is, is het een aantrekkelijke gedachte te veronderstellen dat hij tijdens het schrijven aan zijn gedicht ‘De moy je m’épouvante’ luidkeels heeft meegezongen, of tenminste de melodie heeft meegeneuried. Het zal wel niet. In ieder geval schrok Jeroen Dera er niet voor terug van dit gedicht een analyse te schrijven. Een boeiende tekst.

De moy je m’épouvante

Ik verbrandt in mijn eigen vlam.

Ik schrik van mezelf als ik mezelf
in mijn dikke pak vet
zie opstaan uit een kring,
mezelf zie handenschudden,
luidruchtig kleiner worden.

Stearine fabeldier,
de hoorn de pit.

Een doorn verteren.
In een glimlach verdwijnen.
Een rug – een wang – toekeren.

Tonnus Oosterhoff (1953)

Uit: De ingeland, De Bezige Bij, Amsterdam 1993

Binnen de letterkundige neerlandistiek heeft Tonnus Oosterhoff zich de laatste jaren tot een icoon ontwikkeld. Zijn poëzie geldt als ontoegankelijk en (dus) de moeite van het onderzoeken waard, en zijn digitale experimenten met gedichten (zie www.tonnusoosterhoff.nl) wekken sterk de wetenschappelijke interesse. Experts scharen Oosterhoff onder de noemer van het postmodernisme, aangezien hij een spel speelt met dominante, modernistische leesconventies als coherentie en autonomie.

Predicaten als ‘ontoegankelijk’, ‘experimenteel’ en ‘postmodernistisch’ zijn exponenten van een discours waarin Oosterhoff een ‘moeilijk’ dichter wordt genoemd. Inderdaad laat hij zich niet gemakkelijk vangen. Yves T’Sjoen bracht hem al eens in verband met ‘het scheve, het deviante, het abnormale, het gekke, het absurde’ (in Stem en tegenstem. Over poëzie en poëtica., Amsterdam 2004, p. 101) en benadrukte daarmee hoe slecht zijn werk gerijmd kan worden met een als traditioneel beschouwde poëtica. Hier hebben we te maken met een dichter die zich aan alle vertrouwde patronen onttrekt.

Het nadeel van een al te sterke nadruk op Oosterhoffs moeilijkheidsgraad is dat die het zicht kan benemen op andere eigenschappen van zijn werk, zoals ontroering, originaliteit en herkenbaarheid. Anderzijds nodigt het idee dat deze dichter lastige poëzie schrijft uit tot gedetailleerde interpretaties van zijn werk, die de gemoederen van letterkundigen sterk bezig houden. Alleen al de vraag of Oosterhoff postmodernistisch mag worden genoemd, leidt tot debat: doe je een geraffineerde dichter als deze (of misschien zelfs poëten in het algemeen) niet tekort als je hem in een hokje stopt? Een ander vraagstuk betreft de status van intertekstualiteit in Oosterhoffs poëzie, waarover in de vakliteratuur uitvoerig geschreven is.
De Groningse hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Gillis Dorleijn meent dat Oosterhoff verwijzingen naar andere teksten gebruikt om het schrijfproces te thematiseren, zonder dat deze een sturende richting geven aan de inhoud van de tekst. Zijn Nijmeegse collega Anja de Feijter daarentegen is van mening dat intertekstualiteit wel degelijk gebruikt kan worden als middel ten behoeve van tekstinterpretatie: volgens haar zijn Oosterhoffs gedichten beter te begrijpen, wanneer je ze leest met de aanwezige interteksten in je achterhoofd. (Wie deze conflicterende visies verder uitgewerkt wil zien, verwijs ik naar de bijdragen van Dorleijn en De Feijter in de bundel Een rijke bron: over poëzie, die in 2004 verscheen bij de Historische Uitgeverij te Groningen, onder redactie van Ad Zuiderent, Ena Jansen en Johan Koppenol.)

Het gedicht ‘De moy je m’épouvante’, dat Oosterhoff in 1993 opnam in zijn bundel De ingeland, is exemplarisch voor de hierboven geschetste typering van zijn poëtisch oeuvre. De Franse titel betekent vrij vertaald ‘Mijzelve jaag ik schrik aan’. De openingsregel van het gedicht is bijzonder irrationeel door de foutieve werkwoordsvervoeging. Dit “ik verbrandt” suggereert dat het ik een ‘hij’ is, of – in de woorden van Rimbaud – ‘un autre’. De vlam waarin het lyrisch ik verbrandt, past goed in de metafoor waarop het grootste gedeelte van het gedicht gebouwd is: Oosterhoff stelt de ‘ik’ hier voor als een kaars.

Deze kaarsmetaforiek klinkt ook door in de tweede strofe van ‘De moy je m’épouvante’. De ‘ik’ spreekt over een dik pak vet, dat als kaarsvet geïnterpreteerd kan worden. Tegelijkertijd verwijst dit gedichtelement naar de menselijke vetlaag, die in de loop der tijd steeds dikker wordt. Deze worsteling met het ouder worden zien we in meer van Oosterhoffs gedichten terug. In zijn laatste bundel Ware grootte is bijvoorbeeld een gedicht opgenomen, waarin een man van zesenvijftig plotseling overlijdt. Dat de precieze leeftijd van de dichter tijdens het verschijnen van deze bundel hier niet veel van verschilde, mag geen toeval heten.
Opvallend aan de tweede strofe is de afstand die het lyrisch ik tot zichzelf reserveert. Hij staat niet op uit een kring mensen, maar ziet zichzelf opstaan, en precies zo ziet hij zichzelf handen schudden. Vanuit dit perspectief – dat het gedicht de dichter biedt – schrikt het ik van zichzelf: tussen de mensen is hij een vreemde; wordt hij kleiner en kleiner; wordt hij gereduceerd tot handenschudden. Een daadwerkelijk ‘ik’ blijft hier niet over: de eigen identiteit smelt langzaam weg, aangevreten door de vlam van de kaars die het ik uiteindelijk is.

In de derde strofe wordt de metaforiek gecompliceerder. De kaars, hiervoor uitgelegd als een metafoor voor het lyrisch ik, wordt hier op zijn beurt gelijkgesteld aan een eenhoorn. Oosterhoff creëert de voorstelling van een fabeldier dat gemaakt is van stearine, waarvan de hoorn als lont dient. Het is nogal raadselachtig waarom dit beeld in ‘De moy je m’épouvante’ wordt opgevoerd, maar er is een intertekst die opheldering biedt. De titel van het gedicht is namelijk ook die van een embleem uit 1701, waarop een eenhoorn staat afgebeeld die zijn eigen spiegelbeeld aanvalt – of juist in de veronderstelling verkeert dat het hém aanvalt. Het embleem staat afgebeeld in Jacobus Boschius’ Symbolographia en heeft als onderschrift ‘Monoceros impetens effigiem suam in aquis expressam’, wat vertaald kan worden als ‘De eenhoorn stormt af op zijn portret, dat is afgebeeld in het water’. Hier doet zich een interessante parallel voor met wat we in Oosterhoffs gedicht zien gebeuren: zoals de eenhoorn zijn spiegelbeeld aanvalt – en daarmee eigenlijk zichzelf – zo belegert de dichter in ‘De moy je m’épouvante’ zijn lyrisch ik, dat hij van op een afstandje aanschouwt. Dit ‘ik’ wordt een derde persoon enkelvoud dat wegsmelt in de taal.

In de laatste strofe van het gedicht keren we terug naar de handenschuddende man. Hij verteert doorns, of zou dat graag willen: hatelijkheden probeert of weet hij te doorstaan. We zien echter een man – een vrouw kan ook – die geheel ten onder gaat in de menigte. De ik-figuur verdwijnt in een glimlach; keert mensen de rug toe of wendt het hoofd af. Lezen we de strofe letterlijk, dan schetst Oosterhoff hierin de mens die faalt in het maken van contact. Trekken we de lijn van de aangevallen identiteit door, dan kan de slotregel gelezen worden als samenvatting van wat er in dit gedicht gebeurt: het lyrisch ik keert de lezer de rug toe en wendt zijn hoofd af. Zijn identiteit wordt uitgewist: de dichter valt zijn ‘ik’ aan met zijn taal en weet glimlachend te verdwijnen in zijn eigen woorden. Dat is de doorn die de lezer uiteindelijk zal moeten verteren.

Nu nog even terug naar de debatten rond Oosterhoff. ‘De moy je m’épouvante’ toont mijns inziens bij uitstek aan hoe moeilijk het is deze dichter te vangen in een zekere stroming. Wie Oosterhoff tot het postmodernisme wil rekenen, zoals dat bijvoorbeeld gedefinieerd is door Vaessens en Joosten in Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen (Nijmegen 2003), vindt een argument in de uitwissing en ongrijpbaarheid van het ‘ik’ dat typisch is voor postmoderne gedichten. Op basis van het embleem, een intertekst die op een hoger abstractieniveau coherentie biedt, zou je echter kunnen stellen dat Oosterhoff niet in te passen is in de postmoderne traditie, waarin coherentie als organiserend principe voortdurend wordt ondermijnd. In dit ene gedicht onttrekt de dichter zich aan alle constructies waarmee de letterkundige hem probeert te vangen.

Wat moeten we dus met die Oosterhoff? Laten we vooral vaststellen dat zijn poëzie fascineert. Zelfs als fabeldier van kaarsvet weet deze dichter ons te boeien.

Op deze analyse kwamen onderstaande reacties.

Ivan Sacharov schreef:
Interessante bespreking door Jeroen Dera van het gedicht ‘De moy je n’epouvante’ van Tonnus Oosterhoff. Ik weet alleen niet of het per se een worsteling met ouder worden en met lichamelijk vet betreft. Misschien heeft de metafoor (ook?) betrekking op ons ego, dat vet is geworden doordat we er teveel belang aan hechten. Het ‘stearine fabeldier’ hoeft dan niet (alleen) als een eenhoorn te worden opgevat, maar kan ook als een rake term worden gezien voor de fantastische voorstelling die we van onszelf hebben. We zijn niet belangrijk, maar we denken van wel: wat een fabeldier is dat! Wanneer we het gedicht zo lezen, wordt ook de laatste strofe duidelijk: we moeten ‘de doorn van ons ego’ verteren. Alle vernederingen met een glimlach opvangen, valt niet mee. En in de laatste regel krijgt ‘een wang’, dat niet voor niets tussen streepjes staat, door de Bijbelse connotatie extra zin.
Of dit uitsluitsel geeft bij het conflict tussen de beide hoogleraren weet ik niet. Het conflict is mij ook niet helemaal duidelijk. Waarom sluit het ene standpunt het andere uit?

Rutger H. Cornets de Groot schreef:
Een heel boeiende tekst, met een aantal prima vondsten, vooral natuurlijk die over dat embleem. Wat betreft Rimbauds ‘je est un autre’: dat is een aardige associatie, maar zelf beschouw ik het ‘ik’ hier gewoon als een geobjectiveerde derde persoon: hij ziet zichzelf, zoals hij in de 2e strofe ook schrijft. Het gaat hier m.i. niet om de positie van de Ander, maar om de geboorte van een subject uit het contact met die Ander, waarna er niets van het oorspronkelijke ik overblijft: hij wordt kleiner, verdwijnt, verbrandt, verteert.

Er is een parallel tussen ‘ik verbrandt in mijn eigen vlam’ en ‘in een glimlach verdwijnen’, waarbij ook deze regels uit Luceberts ‘De schoonheid van een meisje’ (uit: Apocrief) meespelen: ‘mij moet men in een lichaam/ niet doen verdwijnen’ en ‘zo woordeloos geboren/ slechts in een stem te sterven’. Beide gedichten hebben ook hun enscenering bij een vijver of een meer gemeen: zwanen die in het water schrijven bij Lucebert, een eenhoorn die een beeld van zichzelf in een ‘kring’ (nl. op het wateroppervlak) waarneemt.
Iets anders: Van Dale vertelt dat de eenhoorn als allegorie voor Christus werd beschouwd (omdat hij alleen door een reine maagd kon worden gevangen), en in de laatste regel staat dat hij de andere wang toekeert. Je kunt dus zeggen dat het gedicht de verhouding tussen de dichter en zijn publiek uitbeeldt: een verhouding waar de dichter zich kennelijk niet altijd even lekker bij voelt: ze zetten hem een doornenkroon op, waarop hij hen de rug toekeert, én de andere wang, ook letterlijk: hij vervreemdt van zichzelf.

Ten slotte: ‘doorn’ rijmt op ‘hoorn’. ‘De hoorn [is] de pit’ staat er in de 3e strofe, nl. de pit van de kaars: de kaarsenpit. Dan zeg je bij Oosterhoff al bijna hetzelfde als kersenpit: hoofd, brein. Deze dichter is werkelijk een fabeldier.

 

Geplaatst in Klassiekers.