Luuk Gruwez – Lagerwal

Aan de grenzen van de ironie

door Johan Reijmerink

In het interview dat Joris Van Hulle met Luuk Gruwez had in de Poëziekrant nr.6, 2004, gaat de dichter uitgebreid in op de autobiografische trekken in zijn poëzie, de verhouding tussen zijn poëzie en zijn prozaboeken, zijn hang naar archaïsmen in een veld van Standaardnederlandse woorden. Ook gaat het over, zijn besef dat schrijven het verzamelen van woorden is als een rebellie tegen de tijd, het fata morgana van de eeuwigheid en zijn schrijven als een erotiserende vorm van strelen. Je krijgt daarin het beeld van een vitale dichter voorgesteld die de waarden, normen en instituties uit zijn jonge jaren tegen het schelle licht van zijn gevorderde volwassenheid en de moderne tijd houdt. Enige ironie kan hem daarbij niet ontzegd worden.

Ironie
Ironie is de grens langs de afgrond van expressie door de dichter en het begrip van de lezer. Een smal niemandsland tussen misverstand en begrip, tussen verwerping en aanvaarding, dat betekenis krijgt door de interpretatie van de lezer. Er is niet alleen in Gruwez’ poëzie sprake van een ‘tegenovergestelde’ dat bedoeld zou zijn, maar ook van een afstand nemen van gangbare opvattingen, waardoor hij zich in solidariteit lijkt te onttrekken aan een voor hem vertrouwde omgeving, gedrags- of zienswijze. Linda Hutcheon heeft daar in haar studie Irony’s edge (1994) genuanceerd aandacht aan gegeven. Zo stelt Gruwez zowel in een gedicht uit de eerste afdeling ‘Extra time’ als in ‘Moeders’ zorgzaamheid tot in het absurde aan de orde: ‘Zij zijn van overdosissen voorzichtigheid vervuld, van levenslang et cetera, stupide stuwingen in buik en boezem.’
Even verder loopt het uit op:  En van hun eigen moeders die hun meer/ en meer ontglippen, worden zij de laatste moeders. Tot zij de handen wantrouwen die hen niet langer vasthouden kunnen.

Als lezer onderga ik een mengeling van melancholie over het lot van deze zorgzame moeders en enige weerzin tegen hun overbezorgdheid in het verleden. De ironie van het lot zorgt ervoor dat de weerzin tegen deze bezorgdheid van de moeders bij de meisjes uitmondt in de overbezorgdheid voor hun eigen moeders. Een onontkoombare opeenvolging van een vergelijkbare bezorgdheid door de generaties heen. Soms lees je in een gedicht uit de eerste afdeling als ‘Juul’ over een versleten dorpsgek of als ‘Rideau’ over rouwgevoelens die amper werken, de oprechte moeite en melancholie die opgeroepen wordt door de uitgebeelde situatie, maar tegelijkertijd het afzetten ertegen. Die dubbelhartigheid geeft Gruwez’ gedichten een extra spanning. Dat is ook overwegend de verwarring waarin je als lezer terecht komt als het afscheid en de dood op het pad van de ik komt.

Wereldvreemdheid
Bij Gruwez overheerst het beeld van een dichter die van jongs af aan vreemd staat tegenover de wereld, maar wel met een scherp oog voor het gevoelvolle detail in gebaar, houding en woord in zijn ontmoeting met mensen. Kwetsbaar, dromerig en met verwondering luistert en laat hij de ik kijken naar de volwassenen om zich heen. Bij voorkeur voelt de ik een band met oudere mannen en vrouwen. Zijn grootmoeder, de grootvader, zijn overleden zuster, de buurvrouw, de idolen uit zijn jeugd, ze spelen onverminderd een voorname rol in Gruwez’ prozaboeken en poëzie. Hij verleent ze echter een status van universaliteit vanwege hun wijsheid door de manier waarop ze hun intuïties in het leven volgen. Hij ontdekt van lieverlee aan zichzelf vele ikken, zonder ze zoals de Portugese dichter Fernando Pessoa aparte namen te geven. Hij lijkt in zijn poëzie de gestalte van een meervoudige persoonlijkheid aan te nemen, zeker gezien de waaier aan gevoelens die hij etaleert.

Nescio
In de novelle Insula Dei van Nescio zegt de ik-persoon: ‘De Heer is in de groote stilte en leegte en in dit wonderbaarlijke einde van een monumentalen dag. Deze dag is weer mijn geweest en mijn is deze betooverde wereld. De zon staat stil, het zal geen nacht worden. De tijd staat stil, de onbarmhartige eeuwigheid heeft erbarmen. God heeft de vergankelijkheid van mij weggenomen en van deze bloeiende wereld. De hemel welft stil en blauw over het goedertierene groen, het graan staat zoo stil en er is een gouden gloed over en het land ligt daar als een mensch van wien men houdt. Deze wereld zal zoo blijven, hierna kan niets meer komen.‘
Gruwez voelt zich in zijn dichterschap verwant aan deze poëtische wereld van Nescio. Dit ‘dichtertje’ wist zich geraakt door het metafysische in de werkelijkheid van alledag. Eeuwigheid in de tijd beleven was zijn devies. De ondergaande zon boven het Utrechtse Plassengebied. Daar lag zijn jachtterrein. Hij voelt zich een eiland waarbinnen God zich bevindt. Hij was de onvolprezen mysticus onder de prozaïsten van zijn tijd, in wie God spreekt, boven het gruwelijke dal der plichten.
Gruwez heeft zowel in zijn poëzie als in zijn prozaboeken iets van die wereldvreemdheid die tegelijkertijd een levensintensiteit oplevert die je als lezer de gewone dingen nieuw doet zien: een rouwverwerking van een overleden zuster, grootmoeder of vriend, het liefdesverdriet van een weduwe. In die zin heeft hij niet het cynisme waarover Nescio in zijn ultrakorte verhaal Het dal der plichten spreekt. Hij jankt niet als een hond in de nacht, maar kreunt zo nu en dan over de vergankelijkheid der mensen en dingen.

Melancholie
Ik neem wel aan, dat Gruwez in zijn leven de melancholia hypocondriaca van Orlande di Lassus kent. In zijn nieuwste bundel tref ik in de vierde afdeling ‘Sprekend vlees’ een gedicht aan over de weduwe die haar vlees ‘weduwt’ en over de man die zich in zijn aarzeling afvraagt of hij geest of beest is, en of God hem wel in het juiste lichaam heeft gebracht. Telkens houdt de ironie hem op de been door het tegendeel van houding, situatie of omstandigheid te laten zien. Gruwez is een meester in het vinden van vluchtwegen uit de benauwenis van het leven. Is de weg van het redeneren niet begaanbaar, dan is er altijd nog de ironische weg van de erotiserende taal, zoals in het gedicht ‘Hasselt’:

Maar zacht en wulps zijn Hasselts vrouwen
die zich moedwillig van lippen vergissen,
iets opgetogens fezelend van tussen hun dijen.
Zij kijken hun wimpers los van hun ogen.

 

Nutteloze poëzie
Gruwez worstelt met de vraag of de poëzie de wereld zou kunnen redden. Zijn tweede afdeling ‘Artiesten, meneer’ is onder meer gewijd aan de twijfel of de kunsten al of niet iets toevoegen aan de wereld. In het gedicht ‘God betreurt Mozart & co’ eindigt hij met de strofen:

Hij had ze beter geen van allen geschapen,
had dat gegoochel met hun noten nooit begrepen.
Maar uitgerekend op die ene dag,
de dag der doodgewone alledaagse dingen,

toen er muziek ontsnapte uit de wereld
en toen de wereld daar heel stil van werd,
zat God eensklaps op blote knieën tot zichzelf
te bidden. Opdat toch niets verloren zou gaan.

Hij weet dat poëzie daartoe uiteindelijk een vergeefse poging is, maar hij blijft net als zovele collega-dichters proberen aan ons te laten zien hoe wij ons moeten voelen in blije en verdrietige situaties die vroeg of laat van alle dag en van alle mensen zijn: kindertijd, opvoeding van kinderen, relaties tussen ouder en kind, verliefdheid en liefde, verlies van familie en vrienden, ziekte en dood, sterven en het bestaan van God. En hij slaagt erin om mij sympathie te laten voelen met de oude mannen die over jonge vrouwen kletsen of de terminale minnaars die bedachtzamer strelen of de moeizame rouwverwerking over de dood van zijn zuster.
Er is volop verwondering en dromerigheid aanwezig, maar ook onbegrip over de dingen zoals ze zijn, de roep om anders te zijn. Telkens klinkt er niet alleen door alle onbegrip heen die roep om het mystieke verlangen tot opgaan in het andere, de ander, maar ook die om stilstand van en teruggang in de tijd: eeuwigheid, terug in de moederschoot.

De filosoof met het hamertje
Dat alles maakt Gruwez op een heel leesbare en begrijpelijke manier tot een filosoof met een klein hamertje. Hij beklopt minder rigoureus dan Friedrich Nietzsche dat deed, de ikken en de levens van mensen uit zijn directe omgeving van vroeger en nu. Hij test ze op hun waarachtigheid en waarde voor hem en ons in het hier en nu. Ik kan dat ook prachtig lezen in zijn prozaboek Een stenen moeder (2004), waarin hij brieven aan familie en bekenden, een karakteristiek van de maanden van het jaar en de woonplekken uit zijn jeugd heeft getypeerd en beschreven. Ik kan daar in zijn parafrase van de maand ‘mei’ lezen: ‘Alles in mijn leven heeft vanouds met afscheid te maken en met mijn ijver om daar, als dit dan toch onafwendbaar is, zoveel mogelijk zorg aan te besteden’.
In de nieuwste bundel staat een vierde afdeling ‘Plaats en tijd’ waarin hij bezoeken aflegt aan zijn woonplekken Deerlijk en Hasselt. Volop weemoed:

Ik droomde dat Deerlijk niet meer bestond.
Turquoise gras schoot her en der baldadig op.

[…]

Ik droomde een dorp dat niet meer bestond:
zijn huizen, kerken, zerken kundig opgeruimd.
En dat het onbegonnen werk was om te wonen
waar men omsingeld wordt door doden
die azen op een onderkomen

en het weemoedige bewijs te zijn geboren.
Hier was het – eertijds – dat ik worden moest
van huis naar school, van school naar huis,
stomweg te vol voor wie maar pas begon,
een kind dat niet meer in zijn moeder kon.

Maar ik lees in dezelfde parafrase van mei dat hij ‘een man van de herhaling [is], [en] niet [om kan gaan] met de chronologie, ik ben een man van de cirkel, maar kan niet omgaan met de rechtlijnigheid, ik ben van de terugkerende seizoenen en niet van de voorgoed verdwijnende jaren. En het sterkt mij te geloven dat alles terugkomt, ook al weet ik natuurlijk dat alles voorbijgaat.’

Fris en kleurrijk van toon
In zijn poëzie is Gruwez verrassend in zijn beelden, kleurrijk in zijn woordkeuze en fris van toon. Het opent je ogen voor het ongewone in het gewone. Juist die vleug van West-Vlaamse invloed door het Nederlands heen maakt zijn taal aantrekkelijk om te lezen. Het wordt er ‘succulent’ van, om een typisch Belgisch woord te gebruiken: een aansprekende bundel, een aanrader. Alle melancholie, ironie, frisheid, vitaliteit, levenslust en besef van vergankelijkheid keert prachtig terug in één van de gedichten uit de cyclus ‘Aan tafel’ (derde afdeling):

Al het vlees van de wereld: het is er om te zoenen
en te sterven. Ik herhaal: om te zoenen en te sterven.
Het beste mausoleum niet het prinsengraf.

maar de babyroze maag, het mysterieuze ingewand
van een schrikbarende beeldschone die haar haren föhnt
en neuriënd haar oksels ontgeurt, haar lippen kleurt

alvorens ze weer schoon te wrijven aan een liefde,
ternauwernood geschikter dan een kleenex./ .
Kostbaar, niet te betalen is de onsterfelijkheid,

voor wie van onder wimpers staat te staren,
van plan zich niet voorbij te laten gaan.
Maar wij? Wij, mannen? Hebben wij wel iets?

Welja: een onderdeel dat groter wordt en natter
en dat ene beetje parelt aan het eind alsof een traan ontstaat
en zich lijkt af te vragen wat verdriet is en wat bronst.

Geplaatst in Recensies.