Willen Jan Otten – Welkom

Geen zongarantie, maar gewild te zijn

door Maarten Hamelink

Jezelf welkom voelen, dat wil iedereen wel. Meer nog, of erger; volgens Willen Jan Otten heeft dat verlangen het karakter van een ongeneeslijke ziekte waaraan de mensheid lijdt. Die hunkering is het thema en daarmee de trefzekere titel van zijn nieuwste bundel Welkom.

 

(…)
Zo wordt het maart. De laatste zaterdag.
Bomijs in de kuilen van het schelpenpad.
Je hoort de aankomststoot van de veerboot
Je voegt je op de rede bij de popelende menigte.

Je moest de nieuwelingen aan de reling zien,
Daar op de boot, eer je eindelijk begreep
hoe ongeneeslijk welkom jij hebt willen zijn,

toen jij daar wuifde, welkom als de zoon.
(…)


Dit gedicht – uit de cyclus ‘Eindeligt’ – is te vinden op de laatste bladzijde en vormt tevens de apotheose van de reis waarvan Otten in zijn nieuwste gedichten verslag doet. Het is een religieuze reis die zijn oorsprong vindt in de basisovertuiging dat de mens gezocht wordt en die uitmondt in een ontmoeting met de Zoeker – God – , door de dichter Eindeligt genoemd. Waarom beginnen met de clou? Omdat deze de weg er naartoe begaanbaar maakt en toegang geeft tot de meerduidigheid en rijkdom die in Welkom schuilgaat. Zoals in ‘Tot een beoefenaar van stilte’:

 

(…)
Onbegrijpelijk dat zo een script zo laat wordt
opgestuurd, maar de directie zweert bij hoog en laag
dat het een mensenleven terug al met de post
is meegegeven , meer ter inzage dan al met een datum
voor de eerste lezing. (…)


Otten bewijst hier hoe transparant gelaagdheid kan zijn, al krijg je het niet voor niets. In zijn gedichten is praktisch altijd sprake van een dubbele bodem die je bij oppervlakkige lezing eerst nog ontgaat. Pas als je leest en herleest, weegt en overweegt, ga je meevoelen onder de huid. Eerst zie je nog de woorden met hun eigen betekenis, maar dan, langzaam maar zeker, buigen de regels zich naar de wil van de dichter en krijg je als lezer toegang.

Wat het lezen van Otten vooral zo’n feest maakt, is het geduld dat hij heeft. Hij legt de woorden rustig voor je neer, wenkt je zijn richting op, totdat je zo’n beetje gelijktijdig met hem het eindpunt bereikt. Natuurlijk is dat laatste slechts schijn, hij was daar tenslotte al eerder aangekomen. En toch, je voelt je welkom, en het lijkt alsof de dichter nog eens met je oploopt. In ‘Stenenrapersgeloof’ gebeurt dat heel letterlijk, letter voor letter ook:

 

Elke klinker neemt hij als een boek ter hand
en tikt hem met zijn hamer aan en duwt hem
op zijn plaats en klinkt hem strak, zo klinkt het,
klenk. Soms kijkt hij op en om zich heen,
er zijn er in de hitte meer als hij,
vastberaden weigeraars van horizon,
hangers aan het geloof dat alles
wat wij weten van waarheen de weg
alleen gekend kan zijn door het te rapen
van lukrake stapels langs het rulle zand.
Waarheid, leven, klenk, en knie voor knie
legt hij de weg af die hij eigenhandig legt.

Ik vind dit magistraal; zoals inhoud en vorm, materie en geest samensmelten op de rug van een zwetende stratenmaker. Luister ook naar dat gedoseerde ’klenk’, het geluid van de straat. Otten is een gelovig dichter en weet dat motief bijzonder te verweven in en met zijn dichterschap. Ergens is God een wouw die met zijn alziend oog boven een duinpan zweeft. De mens krijgt hier van de dichter de gedaante van een angstige veldmuis aangemeten die zich het gras in haast. Een weinig complimenteuze staat die ook wat naïef overkomt. Tot je de uitwerking leest:

 

Verschijnt er boven je duinpan een wouw.
Zijn vingers houdt hij gespreid.
Wetend als een vlieger, nergens een draad.

En jij met je geloof in je kunst,
je eenvouds dooraderderde oortjes,
je spitsmuisgeritsel onder het helmgras,
het versvoetgeroffel van je madurohart.

In hoe je wegduikt zien bloemlezers Erbarme Dich.

Met hoeveel ontferming schrijft de dichter hier over de menselijke natuur. Dit maakt wat mij betreft mede dat de waardering voor zijn poëzie niet is voorbehouden aan wie zijn geloofsovertuiging deelt. Nergens maakt Otten zijn gedichten tot een goedkoop voertuig. Daarvoor is zijn instrument hem te lief en zijn vakmanschap te groot.

Achter de uitbundig roze omslag van deze bundel gaat een wereld schuil waarin de mens een reiziger is die zijn eigen welkom zoekt. Geen vakantie met zongarantie, maar een besef van gewild te zijn. De dichter van Welkom is geen veelschrijver. Zijn vorige gedichten gebundeld in Op de hoge verschenen in 2003. Een nieuwe Otten was dan ook iets om naar uit te kijken. Nu hij er is, is het iets om te koesteren.

Geplaatst in Recensies.