Marc Tritsmans – Man in het landschap

Een vlucht van woorden

door Ivan Sacharov

‘Kijk maar, er staat niet wat er staat’, schrijft de dichter Martinus Nijhoff ergens in zijn grote gedicht ‘Awater’. Dit motto zou ik bij al mijn recensies wel willen gebruiken. Bij poëzie mag je verwachten dat er iets anders staat dan wat er staat, of eigenlijk: dat er meer staat dan er staat. En wat mag je nog meer van poëzie verwachten? Ja, er is nog iets wat volgens mij iedere dichter goed moet kunnen: denken.

Het is niet direct bij iedereen een populaire eigenschap, dat denken. Het wordt soms zelfs als iets droogs, iets saais afgeschilderd: iets wat de inspiratie schaadt, want gaat het in de eerste plaats bij dichten niet om inspiratie? Natuurlijk, ik geef het grif toe, inspiratie is belangrijk, maar ik herhaal: het is minstens even belangrijk dat een dichter goed kan denken en een (traceerbare) logische gedachtegang in zijn poëzie hanteert:

STUITLIGGING

Het moment gekomen leek het mij
verstandig met de voeten eerst.
Wie waagt het immers hals over
kop het kille onbekende in te duiken.

Maar door dit kiezen voor een eerste
zekerheid helaas voorgoed met beide
benen in geboortegrond geheid. Elke
ontsnapping dient voortaan met list

en snode plannen voorbereid. Want houdt
de dam het, blijft de kerk in het midden,
is het touw sterk genoeg, vind ik de weg
naar huis terug? Is het elders echt beter?

Dit gedicht komt uit de bundel Man in het landschap, van Marc Tritsmans. Het beantwoordt naar mijn mening aan geen van beide bovengenoemde criteria. Kijk maar, er staat gewoon wat er staat. En dat is nog tot daaraantoe. Van mij mag een dichter best wel af en toe proza schrijven, bijvoorbeeld als de inspiratie even op vakantie is. Maar onvergeeflijk is een onlogische gedachtegang: hoezo moet hier elke ontsnapping voortaan met ‘snode plannen’ worden voorbereid? Snood betekent volgens mij zoiets als ‘slecht’ en dat kan hier – voor zover ik zie – alleen op de kwaliteit van het gedicht betrekking hebben. Na zoiets begin je als lezer te twijfelen. Dan is het inderdaad maar hopen dat het ‘elders echt beter’ is:

DIALYSE

Wens je naar een zomer, droom je
op een afgelegen strand. Maar je bent
enkel hier waar je bloed als een warm
dier schichtig je lichaam verlaat. Onnodig

schreeuwerig rood langs meterslange
plastic slangen door de kamer sluipt.
Verlies ik mezelf of verover ik slinks
wat meer van de wereld, is er twijfel

hoe ver het kan gaan voordat iets knapt?
Maar dat het zich mij alsnog herinnert.
Hunkerend en herboren haasten cellen
zich huiswaarts. Het tocht in mijn hoofd.

Dit is wel een beter gedicht. Het levert in elk geval een indringend beeld op van iemand die met plastic slangen wat meer van de wereld verovert. Maar wat heeft de dichter met ‘slinks’ en ‘snood’ en ‘sluipt’ en dat soort woorden? Hij lijkt zich bijna voor zijn eigen bestaan te willen verontschuldigen. Wanneer iemand op een ruwe manier tegen mij aanbotst in de supermarkt heb ik ook weleens de neiging om ‘sorry dat ik besta’ te zeggen. Maar dit gaat toch wel wat dieper. Dit lijkt me – althans op papier – het resultaat van een tamelijk defensieve basishouding.

Inhoudelijk zijn er ook bij dit gedicht een aantal vraagtekens te plaatsen: ‘Onnodig schreeuwerig rood (…) sluipt.’ Hoezo onnodig schreeuwerig? Is hier sprake van projectie? Wordt een gerationaliseerde angst – die natuurlijk verstandelijk gesproken ‘onnodig’ is – geprojecteerd op het bloedrood dat in plaats van de ik-persoon schreeuwt? Mogelijk. Maar die angst voel ik als lezer niet echt, omdat het allemaal wel erg gekunsteld is opgeschreven en al helemaal in combinatie met dat ‘sluipt’. Het kan ook wel dat de dichter gewoon bedoelt wat er staat. Maar is het dan nodig dat ‘onnodig’ op te schrijven? Voor ‘hunkerende cellen’ kan ik het verhaal herhalen, zonder dat ze ooit letterlijk ‘herboren’ worden. Trouwens, wat is er oneerlijk (slinks) aan om met plastic slangen wat meer van de wereld te veroveren? Het is allemaal op het randje en niet zoals de dichter het bedoelt:

OP DE RAND

Bijna had ik niet meer de
tijd maar had de tijd mij
uitgewist. Teruggekeerd
vanwaar ik ben geweest

bestaat de wereld nog
alleen uit breekbaarheid
en aarzeling. Zo gaat dit
wekenlange bange kijken

naar de blauwe lucht, de
bomen, naar jou, in de zon.
Als namen mijn ogen hiermee
een onaanvaardbaar risico.

De eerste regels zetten me aan het denken (vooral over het woordje ‘maar’, dat veranderde voor mijn ogen spontaan even in ‘en’). Maar dat is goed (is dat goed?). De lezer leze, terwijl ik nog even verder nadenk, het volgende:

VOORUITZICHT

Hoe plezierig is het niet om iets
in het vooruitzicht te hebben, een
veldje met pas begonnen bloemen, of
een berg die naar behoren de lucht
in steekt. Het is alsof de wereld met
zulke gunstbewijzen aan het tijdelijke
zich verontschuldigt voor het wrede
dat haar eigen is. Want meestal
zien we weinig, is het donker, nacht.
Er is zeker durf, en zelfs wel moed,
voor nodig om het veldje in te lopen
of de berg te beklimmen, wetend dat
ze daarmee voorgoed voorbij zullen zijn.

Het laatste gedicht is van Ton van Deel, en het komt uit zijn bundel Nu het nog licht is, uitgegeven in 1998 bij Querido. Ik bedacht me opeens hoe dicht deze gedichten, die toch zo ver in tijd uit elkaar liggen, elkaar naderen. Het is haast alsof – wat de inhoud betreft –het ene gedicht in het verlengde van het andere ligt. Maar de verschillen zijn daarnaast ook groot. Het valt in dit verband vooral op dat van Deels gedicht veel solider overkomt. Daarin is werkelijk geen spoor van een onlogische gedachtegang te vinden. Bij hem was ik er waarschijnlijk niet eens opgekomen om over logica in de poëzie te beginnen. Vergeleken met zijn gedicht heeft dat van Tritsmans iets triviaals, iets gammels. In de laatste regel bijvoorbeeld, is het woord ‘onaanvaardbaar’ zelf nog het meest onaanvaardbaar. En dit craquelégevoel krijgt men vaker bij Tritsmans, die vermoedelijk regelmatig op twee verschillende gedachten hinkt terwijl hij schrijft. Soms mist hij de flexibiliteit om zijn gedachten in één vorm bij elkaar te houden. De onderwoordse stroom die alles in een gedicht verbindt, kan het dan natuurlijk af laten weten. Aarzelend, niet-kiezend (bang ook wellicht als dichter dat een te eenduidige gedachtegang zal maken dat hij proza schrijft) lijkt Tritsmans bijna voorbestemd om een wereld te scheppen die ‘bestaat uit breekbaarheid’.

Een dichter moet flexibel zijn wil hij de stroom, die woorden op gang brengen, kunnen blijven volgen en tot een goed einde brengen: terughoudendheid en doortastendheid slaan al te gemakkelijk over in angst en overmoed; Skylla en Charybdis liggen voortdurend op de loer.

Is het Marc Tritsmans als Man in het landschap dan helemaal niet gelukt om deze gevaren te ontwijken? Toch wel. Soms vindt hij tussen angst en overmoed een iets subtielere wereld dan gewoonlijk, een wereld die het breekbare als een natuurlijk element in zich herbergt:

WOORDEN

Wij hadden een gesprek
jij en ik op de bergflank
en ik kon het niet helpen

te zien hoe onze woorden
als wolkjes waterdamp
omzichtig, als om niets

te verstoren, door een
zacht briesje werden
ontvoerd naar de overkant

van het dal om daar als
sneeuwkristallen neer
te slaan voor eeuwig en

voor niets. Een geheime
opname die nooit meer
kan worden beluisterd.

Hier is de reis, die de dichter in veel gedichten (hoe aarzelend ook) voor ogen lijkt te staan – in een vlucht van woorden – dan eindelijk gelukt. Kijk maar, er staat niet wat er staat. Ergens aan de overkant van een dal komen de woorden aan. Welke overkant? Wie weet waar woorden aankomen! Misschien wel bij een lezer.

 

Geplaatst in Recensies.