Gedichten

vis zwemt, vogel vliegt, mens loopt

bij de bakker vandaag dacht ik aan Zátopek,
kleine schildpad uit mijn jeugd met wie ik sprak
over parfum van 58 rozenblaadjes
geraapt op het pad achter de Nu Nog
de eerste borsten in de klas,
weer niet gekozen bij gym.
veel zei hij niet, knipperde traag
met leren leden, knikte wijs
tegen het stille huis en mij.

was het de tijgerbol, of de eeuwenoude blik
in de ogen van het kind in de rij
waardoor ik dacht aan de minuscule halfronde hapjes
die hij met zijn mummelmondje uit het blaadje nam
van het klavertje vier, geluk dat ik wilde delen.

Kamperfoelie

weet je nog hoe ze je Nolens voorlas, gehurkt
tussen de rommel in de kamer en een stapel
vuile was- de geilste gedichten bleven komen;
dat taal dat kon: zó schokkend duren.

en dat ze zei: ‘wat een heerlijk uitzicht ben jij-
vanaf hier zie ik alle wegen, ze leiden naar
Rome, straks neem ik je afslag’,
dat ze wees met haar lach waar dat was

haar handen op meer dan het leer
van je zolen, met een hand op het hart
leidde ze je jankende honden met een boog
om haar tuin -de kamperfoelie geurde


De camembertmethode

Wakker. In een bed vol slaap.
Waarin ik gedachten wegwoel, zoals ik vroeger
in zee een gat wilde scheppen. Met meisjeshanden
en vrouwendenken: misschien weer niet genoeg
mijn best gedaan.

Of vermoeden dat ik camembert ben. Zachtrond
en melkwit op temperatuur lig te komen tussen de
lakens van klamme gedachten. Langzaam uitlopen.
Honger krijgen van de metafoor en dan
de koelkast leegroven.

Het zó graag willen grijpen, woorden voor wat
niet wil gaan slapen. Woorden voor het oude gat
in het water waarin ik nooit kon verdwijnen.
Naast mij een gedicht in diepe rust,
begint zachtjes te snurken.

Film Noir

Je had een ouderwetse haarinplant met van die golfjes
ik dacht aan water, aan zeeziek en spray. Je moeder
bleek een statige U en op je partijtje dipten we peen en
radijsjes rauw in de saus (we kauwden als paarden)
terwijl U je vader beoogde die in de keuken druk doende
glas na glas vulde van sappigste jeugd; dacht nog aan oesters.

Je rug, recht van ’t formele, een heer van manieren en open
deuren, geen kaas van versieren of waar je je kijken moest
laten, dus liet je het maar. Je was een zwart-wit film zonder
Humphrey, hoed en violen. Je droeg spekzolen die nacht
waarop je me thuisbracht met je velo; dacht nog aan lopen.

Met bungelbenen achterop hield ik je adem
in en je middel vast; ook de maan scheen
te weten dat het beter was
dat wij ons met dit afscheid verzoenden.

Geplaatst in Gedichten.