Klassieker 120: Kester Freriks – Sprookje

door Ivan Sacharov

Meander Klassieker 120

In dit nummer besteden we aandacht aan een gedicht van een auteur die van 1977 (een vertaling van Büchners dood) tot 2009 (Vogels kijken) ruim dertig publicaties op zijn naam bracht: romans, verhalen, toneelteksten, essays, vertalingen en natuurstudies, maar slechts één dichtbundel, het onopgemerkt gebleven Lippenrood uit 1997. Ivan Sacharov schreef van Kester Freriks’ ‘Sprookje’ een mooie, invoelende bespreking.

Sprookje

Soms denkt men dat de wereld van de kinderen
nauw omlijnd is, niet verder reikt dan de horizon
van de dagelijkse hemel. Maar die wereld is even ruim
en wijd als die der volwassenen: een afstand voor het kind
is niet gelijk aan de onze. Mijlen zijn nog ongeteld.

Een zeilboot door kleine hand van de oever geduwd,
reikhalst naar de overzij van oceanen. Luwte is dood.

En spelen kinderen op een zomeravond nabij
het omheinde bos en komen zij daar waar het groen
van de bomen donkerder is en een smalle weg
zich voortslingert naar het onbekende, dan beleven zij
de angstige bekoring van het verafgelegene.
Dat tegemoet gaan met hoogmoed en eerzucht.

Kester Freriks (1954)

Uit: Lippenrood. Vijfentwintig gedichten, Uitg. Stupers Van der Heijden, Den Haag, 1997

EEN WAAR SPROOKJE

Ik weet niet meer precies wat ik dacht, toen ik dit gedicht voor het eerst las. Maar ik weet wel dat ik het gelijk mooi vond. Bijna als een soort van parallel proces: een gedicht dat over een vorm van ‘fatal attraction’ gaat, is zelf ook aantrekkelijk! En zo hoort het: echte poëzie werkt altijd via meerdere kanalen tegelijk.

Juist. Maar laat ik niet op de zaken vooruit lopen. Eerst iets over de dichter: Kester Freriks; en over de bundel waarin ik dit gedicht heb gevonden: Lippenrood.

Wie kent de bundel Lippenrood? Ik denk niet heel veel mensen. Poëziebundels hebben sowieso al een klein publiek, en sommige bundels – waaronder deze, vrees ik – vallen op de een of andere manier zelfs bij dat kleine publiek nog buiten de boot. Een boot die altijd ‘reikhalst naar de overzij van oceanen’, zoals in het gedicht valt te lezen. Misschien is de oorzaak hiervan te zoeken in een zeker romantisch sentiment, een sentiment dat de dichter lijkt te koesteren, maar dat momenteel bij de forerunners van de poëzie niet zo in de mode is. Grappig in dit verband is dat ik me eens, bij het zien van een foto van Kester Freriks, niet aan de indruk kon onttrekken dat hij op een figuur lijkt uit een Victoriaanse roman. De foto deed me ook een beetje denken aan een karakter uit een vroegere Italiaanse film (niet per se van Fellini). Kortom, Kester Freriks komt op mij over als iemand, die zich ‘Eline Vere heugend’ niet helemaal thuisvoelt in het hedendaagse poëzielandschap. Zelf schrijft hij – als een soort van proloog – in zijn bundel:

‘Het is niet teveel gezegd: in elk gedicht schuilt een roman. Proza bestaat bij de gratie van poëzie, en voor poëzie is proza onmisbaar.
Mijn roman Ogenzwart is begonnen onder de titel Nina’s lippenrood. Daarna heette hij Lippenrood, vervolgens Lippenrood en ogenzwart, tot voor de roman uiteindelijk alleen het zwart rondom de ogen, de mascara, overbleef. Maar de lippen bleven smeken om het kleursel van de lippenstift. Rood en zwart: de kleuren kunnen niet zonder elkaar. Wie naar het gezicht van een vrouw kijkt, ziet ogen en lippen, lippen en ogen, het rood op de lippen en het zwartsel rond de ogen. Voor mij vormen Ogenzwart en Lippenrood dan ook een amoureus ensemble.’

Ogenzwart en lippenrood… Men moet al haast tot Pierre Kemp teruggaan om zoveel aandacht voor (opgebrachte) kleur in de poëzie tegen te komen. Niet dat deze twee schrijvers verder veel met elkaar gemeen hebben. Kemp was uitsluitend dichter (wanneer we ons beperken tot het ‘literaire vlak’, hij was daarnaast ook schilder). Kester Freriks lijkt me toch in de eerste plaats een romancier, met een talent voor kunstig gebouwde zinnen en poëtisch taalgebruik, dat wel. Ondanks de koppeling met Ogenzwart komt Lippenrood binnen zijn totale oeuvre een beetje als een verdwaald eendagskuikentje over.

Op zijn beurt neemt het gedicht ‘Sprookje’ weer een geheel eigen plaats in binnen Lippenrood. De andere gedichten van de bundel hebben vooral liefde en passie als onderwerp. En hoewel er veel romantisch (jeugd)sentiment in deze poëzie zit, wordt daarin nergens zo’n afstand bewaard als in ‘Sprookje’. ‘Sprookje’ is geschreven door iemand die de zaken van veraf bekijkt: vanuit het standpunt van een objectieve ‘alwetende’ verteller. Een ‘wijze’ volwassene, die weet dat de wereld van de kinderen niet altijd zo ‘nauw omlijnd is’ als ze lijkt. Dit wijst erop dat de dichter-verteller waarschijnlijk ondanks zijn afstand toch nog een sterke verbondenheid met die kinderwereld voelt. Iets wat ook wel blijkt uit veel andere gedichten in Lippenrood.

Ik ben er geen liefhebber van om poëzie teveel met autobiografische gegevens te linken, maar interessant hierbij kan wellicht het feit zijn dat Kester Freriks in 1954 in Djakarta, Indonesië is geboren. Een land dat hij met zijn ouders in 1957 al op stel en sprong moest verlaten vanwege de crisis rond Nieuw-Guinea. Freriks was toen drie. Dat is niet een leeftijd waarvan men zich later veel herinnert, maar toch… Mogelijk speelt de geografische – en culturele – afstand de schrijver in zijn gevoel en tijdservaring parten. Verlangt de volwassene die hij is er misschien – al of niet bewust – naar om ‘het bootje’ uit de tweede strofe, over de oceaan terug te duwen naar het land van zijn geboorte?

Wie weet. Intussen lijkt de opvatting, die in de eerste strofe van ‘Sprookje’ zo gedecideerd wordt tegengesproken, inderdaad meer op een projectie van een volwassene, wiens wereld zelf door de nodige zaken – vaak in negatieve zin – ‘wordt omlijnd’, dan op een correcte weergave van hoe de wereld van de kinderen feitelijk is. Men idealiseert natuurlijk. Heel mooi past daarbij in de derde regel de term ‘dagelijkse hemel’. Alleen een volwassene neigt ertoe te denken dat kinderen dagelijks in een soort ‘hemel’ vertoeven. Maar ja, wie denkt niet zo nu en dan met heimwee aan zijn kindertijd? Ook Kester Freriks zelf, zoals uit een aantal andere gedichten blijkt. In het gedicht ‘Schoenhakken in het matras’ bijvoorbeeld, schrijft hij:

Ze gaf me dit terug: tijd die zonder angst in mij lag.
Jeugdjaren lang verstrengeld met fluitekruid en gras
op de velden, lissen in stilstaand water.

Prachtige regels, die kenmerkend zijn voor de sfeer in Lippenrood. De lezer merke op dat hier, net als in ‘Sprookje’, van angst sprake is. De kindertijd wordt gezien als een tijd zonder angst, een rustige tijd ook, als we die ‘lissen in stilstaand water’ erbij halen. Maar terwijl het hier, zoals in de meeste gedichten in de bundel, blijft bij dromen, voltrekt zich in ‘Sprookje’ een drama. In ‘Sprookje’ overtreft Kester Freriks zichzelf doordat hij door zijn eigen heimwee heenkijkt. Een dieper peilend realisme onderscheidt dit gedicht in gunstige zin van alle andere gedichten in Lippenrood. De constatering dat de kinderwereld ‘even ruim en wijd is als die der volwassenen’ is even nuchter als waar; en rekent af met elk geďdealiseer. Mijlen zijn niet alleen nog ongeteld in die wereld, maar tellen wat dat betreft ook niet.

In de tweede strofe van het gedicht blijkt dat kinderen ook verlangens hebben, iets wat volwassenen gemakkelijk over het hoofd zien wanneer ze naar de kindertijd terug verlangen. Een zeilboot door kleine hand van de oever geduwd, reikhalst niet voor niets naar de overzij van oceanen. Kinderen willen juist volwassen worden! Ze nemen risico’s en voelen dat soms ook (zoals uit de derde strofe blijkt), hoewel de dood nog niet eens echt iets dreigends is, maar iets flauws, wat hen de wind – de geest, het enthousiasme – uit de zeilen neemt.

De derde strofe is wel het kroonjuweel van dit gedicht. Op een zomeravond, dus aan het eind van de dag, lees: het eind van de (als ‘zonnig’ beschouwde!) kindertijd, spelen kinderen nabij het omheinde bos. Dat is: het verboden bos. In zeer onopvallende, terloopse bewoordingen geeft de dichter ons hier een nieuw beeld voor de zondeval in het paradijs! Adam en Eva mochten niet eten van de boom van kennis van goed en kwaad, en in dit gedicht mogen de kinderen de omheining niet oversteken… Iets wat ze natuurlijk niet kunnen laten en toch doen. Want ze komen ‘daar waar het groen van de bomen donkerder is en een smalle weg zich voortslingert naar het onbekende’. Donkerder groen is minder ‘naďef’ van kleur, dan het groen in het voorjaar en duidt op een volwassen worden. Men kan overigens bij dit archetypisch beeld van een bos ook denken aan Dante, die zich als volwassene op zijn vijfendertigste levensjaar in een bos verdwaald zag.

Prachtig is de alliteratie in ‘een smalle weg zich voortslingert’: de vorm van de letter ‘s’ verbeeldt perfect de voortslingerende beweging die het leven met zijn ‘ups en downs’ naar de ons onbekende toekomst maakt.

Op dit punt gekomen wil ik toch even de aandacht vestigen op de vorm van dit gedicht: de eerste strofe bevat de probleemstelling, en kan worden gezien als een soort van ‘voorbereiding’ op een reis; de tweede strofe beschrijft de reis, de ‘oversteek’, of althans het verlangen daarnaar; en bij de derde strofe lijkt er sprake te zijn van een soort van ‘aankomst’: namelijk het arriveren bij de omheining, die het einde symboliseert van de onbezorgde, onbegrensde ‘oceaan-wijde’ kindertijd. Bijzonder mooi in dit verband is de tegenstelling tussen de woorden ‘ruim’ en ‘wijd’ in de eerste strofe, en ‘het omheinde’. Het omheind zijn betekent dus niet alleen ‘verboden zijn’, maar kan er ook op slaan dat volwassenen in een omheinde ‘in hun gedachten aan regels onderworpen’ wereld leven: een bevestiging van het idee dat het ‘nauw omlijnd zijn’ van de kinderwereld in feite een projectie is! Tenslotte is daar nog dat mysterieuze zinnetje ‘Luwte is dood.’, aan het eind van de tweede strofe. Dat hoeft niet per se op de ‘echte’ dood te slaan. Het kan betrekking hebben op de dood van de kindertijd, en wie weet ook op de dood van het eindeloos ongeremd enthousiasme dat een kind kan ervaren.

Nu volgt wat ik de mooiste regel van dit gedicht vind: ‘de angstige bekoring van het verafgelegene’. Vooral ‘angstige bekoring’ is m.i. een uitstekende woordcombinatie. De paradox die aan het drama van dit gedicht ten grondslag ligt wordt er goed door samengevat. Precies door het spanningsveld tussen deze twee woorden loopt a.h.w. de omheining waar de kinderen overheen gaan en hun onschuld verliezen. Aan de ene kant de bekoring die trekt; en aan de andere kant het angstige dat weerhoudt. En wat is in dit verband ‘het verafgelegene’? Men denkt natuurlijk allereerst aan iets wat (nog) verder weg is, in de toekomst… Maar het kan ook zijn, dat kinderen omkijkend voor het eerst zien hoever ze zijn gegaan, hoever ze af zijn van hun ouderlijk huis, of – in een meer figuurlijke zin – hoeveel tijd er al is verstreken sinds de vroegste jeugd. En misschien betekent het nog wat anders… Misschien bevat dat woord ‘verafgelegene’ stiekem ook het pijnlijke besef dat men voor het eerst ervaart ergens buiten te staan. Als toeschouwer! Buiten de wereld die ons in onze onschuld omgaf. Men realiseert het zich misschien nog niet direct, maar men is buitengesloten, voorgoed.

Fraai is tenslotte hoe de dichter de voorlaatste regel beëindigt met een punt. Het woordje ‘Dat’ in de laatste regel kan op deze manier zowel slaan op ‘het verafgelegene’, als op het ‘beleven’ van het ‘tegemoet gaan met hoogmoed en eerzucht’. Tja, er staat veel op het spel in ‘dat tegemoet gaan met hoogmoed’ (die immers voor de val komt). Misschien is dat in werkelijkheid waarnaar wij terug verlangen wanneer we heimwee voelen naar de kindertijd? Dat ongeremde gevoel dat we hadden, op het moment dat we voor het eerst de omheining passeerden en het verboden bos instapten: zoiets geweldigs maken we daarna nooit meer mee…

 

Geplaatst in Klassiekers.