'Ga niet op zoek naar de dichter'

Herbert Mouwen (Breda, 1952) is dichter, prozaschrijver, recensent en docent Nederlands. Hij debuteerde in 1991 met de dichtbundel De zon is kapot bij Uitgeverij Opwenteling in Eindhoven en ontving in 2000 de Johan Diepstratenprijs voor de verhalenbundel Het verleden lijkt een ver land, eveneens uitgegeven door Opwenteling. Van zijn hand verschenen gedichten in onder meer Brabant Literair, De Gekooide Roos, ´t Muzenkoeriertje, Cubra en Meander Magazine. Volgend jaar komt er een nieuwe dichtbundel van hem uit bij uitgeverij Boekscout in Soest..
 
In 1991 verscheen je bundel De zon is kapot bij uitgeverij Opwenteling. Hoe kijk je hierop terug?
Dichten is zoeken. Ik zie mezelf als een dichter in voortdurende ontwikkeling, mijn dichterschap bestaat uit fasen, die telkens enkele jaren duren. Zoals ik toen schreef, schrijf ik nu niet meer, maar ik schaam me er absoluut niet voor. Sterker nog, ik leg voor mezelf relaties tussen gedichten van toen en nu. Niet bij alle, maar bij enkele gedichten, die ik nu geschreven heb, kan ik verklaren – zo je wilt: verantwoorden – waarom het gedicht er nu zo staat, zoals het er staat. Ik heb al enkele malen bewust stappen gezet om totaal anders te gaan schrijven.

Welke dichter is je grootste inspirator geweest en waarom?
Ook in mijn bewondering voor andere dichters heb ik mezelf ontwikkeld. Door mijn studie Nederlands ben ik in aanraking gekomen met dichters die ik ben gaan bewonderen: Gorter, vanwege zijn zintuiglijkheid; Nijhoff, vanwege de perfecte eenheid van vorm en inhoud; Marsman, vanwege de vrijheid in onderwerpkeuze; Hoornik, vanwege het gebruik van de gewone spreektaal. Maar ook Lucebert, de latere Kouwenaar, Andreus, Campert, Kopland. Belangrijker is echter mijn zoektocht naar dichters die mij voortdurend inspireren: Gery Florizoone lees ik vrijwel dagelijks. Hij is van grote betekenis voor mijn dichterschap. Maar ook Paul Snoek en Ben Cami hebben mij beïnvloed. Opvallend dat mijn persoonlijke voorkeur naar Vlaamse dichters gaat.

Vanuit welke stemming of situatie ontstaat bij jou het idee voor een gedicht?
Gedichten ontstaan niet vanuit een bepaalde stemming. Mijn stemming speelt geen rol. Ik ga bewust zitten om een gedicht te schrijven en dan lukt het of dan het lukt niet. Ik schrijf veel gedichten nadat ik poëzie of proza gelezen heb. Maar of dat zo bijzonder is, betwijfel ik: ik lees de hele dag.

Je bent tussen 2004 en 2006 poëziemedewerker geweest bij Meander Magazine. Waaruit bestond toen jouw werk en wat vond je er boeiend aan?
Ik heb in twee groepen gezeten: een groep die de ingezonden gedichten selecteerde en een groep die korte verhalen uitkoos. Later heb ik een tijd het Gedicht van de Maand besproken, nieuwe bundels gerecenseerd en één keer een Klassieker geschreven. Het Gedicht van de Maand vond ik de interessantste klus. Ik mocht de keuze grotendeels zelf maken, dus kon ik schrijven over goede, bijzondere en opvallende gedichten. Het was een leuke tijd, maar omdat ik meer tijd wilde hebben voor mijn promotieonderzoek ben ik gestopt.

Wat beoog je met je poëzie?
Sinds kort heel wat anders dan wat ik altijd beoogd heb. Ik ben me gaan ergeren aan de reacties van de lezers en luisteraars: ‘Leuk’ of ‘Heel aardig’ of ‘Mooie beelden’. De oppervlakkige, nietszeggende reacties waar ik als dichter niets mee opschiet of de ‘interessantdoenerij’ aan de andere kant, de quasi-intellectuele gesprekken over mijn poëzie, ik erger me daar kapot aan. Het ouwehoeren over iets en vooral over mij als dichter (en soms als persoon!) zonder mijn werk goed of helemaal niet gelezen te hebben.

Wie zijn volgens jou de meest interessante Nederlandse dichters van dit moment?
Esther Jansma, Huub Beurskens, Eva Gerlach, Nachoem M. Wijnberg volg ik al wat langer. Leonard Nolens vind ik fantastisch, Menno Wigman ook heel bijzonder. De lichamelijkheid in Droomvlees van L.F. Rosen spreekt mij ook aan. Ik ben zeker niet alleen bezig met nieuwe, debuterende dichters. Ik lees ook vertaalde poëzie. Dichters op wie ik weinig vat krijg, zoals Szymborska en Tranströmer, leg ik niet opzij, maar ik blijf ermee worstelen, ik probeer ze open te breken. Ik vind het belangrijk om telkens weer wat anders te ontdekken in een gedicht en niet slechts mijn vorige leeservaringen te herkennen. Daar ben ik vlug op uitgekeken.

Als ik je google, zie ik dat je als dichter goed zichtbaar bent op het internet met veel publicaties in verschillende e-zines, heb je daarnaast nog plannen voor een gedichtenbundel op papier?
Op dit moment heb ik een dichtbundel klaarliggen, die wat mij betreft volgend jaar uitkomt. Maar over een paar maanden verschijnt eerst nog een verhalenbundel van mij getiteld De donderdagen bij uitgeverij Boekscout in Soest. Verhalen schrijven is voor mij net zo belangrijk als gedichten schrijven. Zoals zoveel schrijvers en dichters heb ik ook moeite om een uitgever te vinden. Publiceren is voor mij het afronden van een fase. Daarna wil ik een volgende stap doen.
Op dit moment ben ik aan gedichten bezig die volstrekt autonoom zijn, intrinsiek een eigen beeldtaal hebben en losstaan van de biografie van de dichter en waarbij de lezer echt aan het werk moet om het gedicht zich eigen te maken. Het gedicht is van de lezer als de lezer dat wil. De dichter zelf wil niets. De lezer kan ze ontoegankelijk vinden en teleurgesteld achterblijven, maar hij kan ook zijn eigen weg in het gedicht zoeken. Ga niet op zoek naar de dichter, die zit er niet in. Een zinloze zoektocht.

Geplaatst in Interviews.