Gedichten

De anderen

die de wassende maan weggeven
aan een dode hunkering, die zich
huizen en tuinen dromen van ziel
en lichaam, die luisteren naar het
gazongras dat onhoorbaar groeit,
die hun verkleumde handen ruilen
voor de vurige monden van de zon,
die met hun ogen akkers kunnen
omploegen en inzaaien en die zich
ontworstelen aan het ongerijmde
melodietje van een straatmuzikant,
die gaten slaan in hun geheugen
en niet meer weggaan, die denken
dat vrouwentongen kamerplanten
zijn en die de dwangbuis die ik hun
aandoe als een bevrijding voelen

Narcissus

die schoon uit het glinsterende
spinrag stapt woont voortaan in
de spiegel met de andere stenen,
keien die zwijgen, hij bekijkt zijn
ogen binnenstebuiten, loopt met
moeie voeten door het water, laat
zijn tranen een waterval worden,
heeft een brede rug als muur van
onbegrip, met verkrampte handen
die lachende boomstronken zijn,
met een schaamstreek die louter
de eeuwigheid in zich heeft, het
prille verleden gladgestreken, het
landschap van crêpepapier, het
slaapwandelen als intimiteit, de
reflectie als scheiding der geesten


Een ketting van

aaneengeregen meningen, een
sliert van langslopende lichamen,
een lijn van leeggeplukte landen,
een streep van schepen langs de
duinkust en de linten van blikken
paarden in een landschap met
ademnood, windstilte, tweelicht,
schemering voor de nacht, nieuws
dus, maar wie breekt het halssnoer
van de hinderlijke stemmen, wie
schopt de woorddanser achter zijn
glimlach vandaan, wie zet nieuwe
wegen op de kaart, wie zoekt de
kieren in de dromen, wat brengt
verkoeling in het verhit gemor, wie
kleurt het circus van blondines in

Geplaatst in Gedichten.