Het gedicht als symptoom

Het gaat Yerna Van Den Driessche (1949, Bottelare) voor de wind. Met haar poëzie sleepte ze diverse prijzen in de wacht: vorig jaar die van de stad Harelbeke, de Concept Literatuurprijs en de Guido Wulmsprijs, en dit jaar de tweejaarlijkse poëzieprijs van de stad Izegem. Ze publiceert in tijdschriften en laat ook op het podium een stevige indruk na. Als kers op de taart verschijnt in het najaar bij uitgeverij P de bundel Reconstructie. Hoog tijd voor een gesprek.

Je wordt zestig dit jaar. Toch ben je pas sinds een paar jaar heel actief in het poëziecircuit. Vanwaar de plotse enthousiaste activiteit?
Mijn belangstelling voor het woord, en voor poëzie in het bijzonder, dateert uit mijn jeugd. Toen ik vijftien was, schreef ik al gedichten. Op school droeg ik dolgraag gedichten voor en ik was getroffen door de verzen van Alice Nahon. Vooral het gedicht ‘‘t Is goed in ‘t eigen hert te kijken…’ greep mij heel erg aan. Ik ben er zeker van dat Alice Nahon mijn sociaal engagement heeft aangewakkerd. 
Naast mijn hogere studies volgde ik vier jaar lang een toneelopleiding. Dan volgde de drukte van het beroepsleven en het gezin en viel mijn creatieve activiteit stil. Het grote ontwaken kwam in 1997 toen ik het gedicht ‘De plek’ las van Herman De Coninck.
Ik ben toen schrijfcursussen gaan volgen bij Stichting Lodewijk de Raet, nu Creatief Schrijven. In 2004 heb ik mij ingeschreven voor de cursus Literaire Creatie, aan de Academie voor Muziek en Woord in Ieper. Die stond onder leiding van dichter en romanschrijver Roel Richelieu van Londersele. Mijn huidige activiteit is dus eigenlijk een kinderdroom die in vervulling gaat.

Je intrede in de poëzie gaat niet onopgemerkt voorbij. Vorig jaar trok je een pak grote prijzen naar je toe en in de laatste uitgave van Het Liegend Konijn zijn er ook gedichten van je hand te vinden. Zie je zelf redenen voor je successen?

Elke mens heeft nood aan creatief bezig zijn om zichzelf te verwezenlijken en zijn talenten te ontplooien. Waar het op aan komt is je specialiseren en er alles aan doen om het zo goed mogelijk te doen. Dat vraagt tijd en doorzettingsvermogen, maar als er voldoende motivatie en enig talent is, dan slaag je daarin.
Mijn succes heb ik, denk ik, te danken aan het soort poëzie dat ik schrijf: thema’s waarin iedereen zich herkent; archetypes van gebeurtenissen als geboorte, liefde, lijden, dood. Persoonlijke ervaringen probeer ik te plaatsen in een universeel kader. Een kunstenaar brengt gevoelens die bij iedereen leven tot uiting. Dat te ondervinden bij het publiek, moedigt me nog verder aan.

Ook op het podium vind je de weg. Zo had je laatst een optreden op het festival Onbederf’lijk Vers. Bij dergelijke optredens laat je duidelijk merken dat je niet zomaar ‘iets komt voorlezen’. Hoe belangrijk is performance voor je?
Veel van je persoonlijkheid vindt haar oorsprong in je jeugd. Ik kom uit een eenvoudig arbeidersgezin, waarin het moeilijk was om aandacht te krijgen wegens gebrek aan tijd en luisterbereidheid. Tijdens familiefeesten werd mij wel eens gevraagd om een liedje te zingen of een gedichtje op te zeggen. Voordragen was dus een middel om tot ‘bestaan’ te komen.
Als ik nu optreed, spreek ik met veel mensen tegelijkertijd, en na de voorstelling wordt mijn monoloog een dialoog met mensen die belangstelling tonen. Daarbij heb ik het gevoel dat ik tegemoet kom aan een nood van sommige aanwezigen. Dat ik hun honger naar medeleven met hun eigen problemen indirect voldoe. Ik ben een tussenpersoon voor de uitdrukking van hun eigen gevoelens. Ik schrijf over mezelf maar tegelijk ook over hen.
Het rechtstreeks contact met het publiek is bijzonder motiverend. Ik apprecieer het contact en de mening van andere aanwezige dichters. Maar ook de reacties van de mensen die geen specialisten zijn, vind ik belangrijk. Ik wil poëzie brengen die toegankelijk is. De feedback van het publiek is voor mij normgevend. Het is een vorm van sociaal engagement.

Veel van je gedichten zijn of lijken autobiografisch. Vaak gaat het over een ik of een wij, een moeder, een zus, over sprookjes en vroeger. In hoeverre dient het schrijven van gedichten voor jou als een manier om iets van je af te zetten?
Wat men ook beweert, voor mij is elke kunstvorm in hoge mate therapeutisch – of het nu gaat om de beschrijving van werkelijk gebeurde feiten of om producten van de verbeelding. De gebruikte beelden en de symboliek ervan bevatten soms meer dan dat waarvan men zich bewust is. Voor een individu bestaat er niets buiten zijn eigen waarneming. Een gedicht is altijd een symptoom van het eigen gedachtegoed.
Bij het ontstaan van een gedicht schrijf ik spontaan een heleboel ideeën op en dat werkt dan waarschijnlijk therapeutisch, maar daarna komt de ambachtsman, of liever –vrouw, in mij naar boven en begint het eigenlijke werk: schrappen, anders formuleren, vorm geven, beelden gebruiken, aanpassen aan universele menselijke ervaringen. Ik schrijf inderdaad over mijn jeugd en de personen uit die tijd, maar ik geef daar een vorm aan en een duiding die het ook voor anderen interessant maakt. Alhans, dat hoop ik toch.

In het najaar verschijnt je debuutbundel. Kun je ons vertellen hoe de bundel eruit gaat zien?
De bundel bevat bespiegelingen over het verleden en beschrijft huidige gebeurtenissen met de onderliggende suggestie dat er oorzaken zijn en gevolgen, dat er in deze wereld meer verbanden kunnen worden gelegd dan men op het eerste gezicht zou zeggen. Tijdens mijn kinderjaren leden kinderen nogal eens aan figuurlijk gezichtsverlies. Meer wil ik daarover voorlopig niet zeggen.

Als we aan een jonge debutante vragen wat zijn of haar dromen zijn, zal zij wel steevast antwoorden dat zij professioneel schrijfster wil worden. Wat wil jij graag nog bereiken?
Als schrijfster ben ik nog jong, maar wens ik ook oud te worden. Ik wil dus nog graag veel literair werk afleveren. Bij één bundel kan en wil ik het niet laten.

Geplaatst in Interviews.