Klassieker 121: Hester Knibbe – Psalm 4631

door Inge Boulonois

Meander Klassieker 121

Op 23 mei 2009 ontving Hester Knibbe de driejaarlijkse A. Roland Holstprijs voor poëzie. De jury prees Knibbe’s werk als poging om in taal vat te krijgen op het grensgebied tussen leven en dood. Dat is zeker ook het geval in het bijzondere gedicht ‘Psalm 4631’. Ine Boulonois bespreekt het met even bijzondere aandacht.

Psalm 4631

In mijn nood roep ik
niet en tot niemand, ik zwijg; wie na zoveel
zand erover nog leeft, heeft het schreeuwen

verleerd. Laat de eik maar kreunen
en klagen, om blad dat voortijdig
te gronde, de tak van zijn stam

afgerukt, laat mij woordeloos
staan in zijn schaduw. Laat

mijn zwijgen niet klein en gebukt
zijn maar waardig hoog
en breed als de kroon van de boom

nu zijn wortels en stilte zich
hechten aan hem en alle gebed
wordt gesmoord in de aarde.

Hester Knibbe (1946)

Uit: Verstoorde grond, de Prom, Baarn, 2002

Zeer recent, op 23 mei 2009, ontving Hester Knibbe (Harderwijk 1946) de driejaarlijkse A. Roland Holstprijs voor poëzie. Deze is, zo bepaalde het A. Roland Holst Fonds bij de instelling in 1986, bedoeld voor werk dat zo ver ontwikkeld is dat het een eigen gezicht heeft en bovendien potentie tot groei bezit. De jury onder voorzitterschap van Tom van Deel prees Knibbe’s werk als poging om in taal vat te krijgen op het grensgebied tussen leven en dood. ‘Kwetsbaarheid is haar basso continuo. Dat wekt de schijn van bescheidenheid, maar in haar woordkeus en toonzetting toont de dichteres poëtisch meesterschap’, aldus Van Deel. Op dezelfde dag bracht De Arbeiderspers onder de titel Oogsteen een keuze uit Knibbe’s gedichten van 1982 tot en met 2009 uit.

De oeuvreprijs vormde ook aanleiding tot deze analyse. Het is de tweede die we aan deze dichteres wijden. In Meander Klassiekers 55, alweer vijf jaar geleden, werd ‘Vannacht’ uit Een hemd van vlees (De Prom, 1994) besproken. Bovenstaand gedicht schreef Knibbe indertijd op verzoek van het literair tijdschrift Liter. Ook al suggereren titel en eerste regel een echte psalmos of harpzang, een bijbels exemplaar is het natuurlijk niet; halleluja-psalm 150 is echt de laatste.

Het schrijven van een nieuwe psalm is geen noviteit. Zowel Ron Elshout als Rob Schouten waagden zich aan een Psalm 151 en Hedwig Speliers schreef zijn Apocriefe Psalm. Half mei droeg onze Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr bij de opening van de Calvijntentoonstelling zijn ‘Psalm voor een afkomst’ voor. Vanwege vermeende blasfemie viel deze niet bij iedereen in goede aarde…

In haar nood roept de ik-figuur, zo leert regel twee van Psalm 4631 ons na het enjambement, ‘niet En tot niemand’, met het gewicht van het assonerende allitererende nie. Een abrupte, onverwachte wending. Het is dan ook een antipsalm. Het lyrisch subject valt hier samen met de dichteres wier zoon in 1999 op negenentwintigjarige leeftijd aan een hersentumor overleed. ‘Het’, in deze analyse voor het gemak ook met ’ze’ aangeduid, zwijgt. In deze psalmische context zwijgt ze naar God toe; Knibbe onthulde in een interview christelijk te zijn opgevoed. Ze sprak zich over dat hartverscheurende persoonlijke drama wél uit. Op papier. Voor zichzelf, en impliciet naar ons, lezers.

‘Schreeuwen’, een veel heftiger werkwoord dan ‘roepen’, heeft ze verleerd. De witregel na ‘schreeuwen’ lijkt haast ruimte te bieden voor een Munchiaanse echo. In ‘wie na zoveel/ zand erover nog leeft, heeft het schreeuwen// verleerd’ – met assonerende ee-klank – reveleert ze de reden van het zwijgen met een beroep op de ‘logica’ van ons gevoel. Wie zou in zulke omstandigheden wél blijven schreeuwen? Het betrekkelijk voornaamwoord ‘wie’ heeft hier zowel de betekenis van een algemeen ‘al wie’ als een verbijzonderend ‘degene die’ (betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent), waardoor het direct op de ik zelf betrekking heeft. ‘Zand erover’ betekent figuurlijk: laten we er niet verder over spreken. In letterlijke zin verwijst het naar het zand op de kist, naar het graf van haar zoon. Zo’n combinatie van letterlijke en figuurlijke betekenis hoort tot de ‘parafernalia’ van Knibbe’s poëzie.

Drie keer, met de kracht van omne trinum perfectum, passeert ‘laat’ ons oog. De lamenterend klinkende lange aa resoneert tussendoor in ‘staan’ en ‘schaduw’. De incantorische imperatief van ‘laten’ ademt zo een atmosfeer van verlatenheid. Het lyrisch subject kijkt naar een eik aan wie ze het klagen overlaat terwijl zij woordeloos in zijn schaduw staat. ‘Laat de eik maar kreunen/ en klagen,’ een lamento versterkt door zowel het enjambement als de tautologie. Deze boom met zijn harde hout symboliseert duurzaamheid en onwrikbaarheid. ‘Blad dat voortijdig/ te gronde’ refereert aan het tegennatuurlijke feit van het verlies van haar zoon; het enjambement accentueert de voortijdigheid.

De tak, eveneens verwijzend naar haar zoon, is met een pijnlijke beweging van de (moederlijke stam-) boom ‘afgerukt’. In ‘te gronde’ speelt naast de betekenis van ‘vergaan’ ook ‘de grond’ als bodem, dus weer het graf, mee. ‘Laat mij woordeloos/ staan in zijn schaduw.’ De dichter spreekt niet meer met God die dit haar heeft aangedaan. ‘Woordeloos’ vind ik hier een geslaagd woord. Erin zit namelijk ‘woord’ dat, primordiaal althans en met een hoofdletter, slaat op het spreken van God en als personificatie samenvalt met zijn zoon Jezus. Dit geeft het zwijgen een diepere dimensie.

‘Schaduw’ werd indertijd al door Rhijnvis Feith gebruikt als beeld van vergankelijkheid in: uren, dagen, maanden, jaren, vliegen als een schaduw heen. Het betekent ook ‘duisternis’. M.a.w. de ik-figuur staat in de schaduw van de boom met het donkere gevoel dat de dood van haar zoon teweegbracht. Bijbels geïnterpreteerd is ‘schaduw’ juist bescherming, zoals ‘in de schaduw van Gods vleugels’. Maar dat ervaart het lyrisch subject niet.

‘Laat/mijn zwijgen niet klein en gebukt/ zijn maar waardig hoog en breed als de kroon van de boom’ luidt strofe vier. ‘Klein en gebukt’ wekt associaties op met nederigheid, met de ootmoed van een mens die weet dat hij/zij uiteindelijk niet over de grote dingen in het leven beslist. We zijn immers ‘als gras’. De dichter wil het liefst ‘waardig hoog en breed zijn als de kroon van de boom’. Statig wil ze zijn alsof er niets is gebeurd. De boom mag kreunen, zij niet. Alsof de dichter zich niet klein wil laten krijgen. De slotstrofe ‘nu zijn wortels en stilte zich/ hechten aan hem en alle gebed/ wordt gesmoord in de aarde.’ suggereert dat de ik-figuur voorheen gebeden heeft, maar uit het feit dat de zoon desondanks overleed, heeft afgeleid dat bidden niets hielp en er daarom mee stopte. De wortels en de stilte van de boom hechten zich aan ‘hem’, waarmee de zoon zal worden bedoeld die ook in de aarde ligt. Zijn dood heeft alle gebed gesmoord. Genezing zou mogelijk reden zijn geweest om zich aan God te hechten en te blijven bidden, maar de dood niet.

Formeel is Psalm 4631 een vrij vers, net als Bijbelse psalmen zonder eindrijm. Knibbe’s taal is puntig. Het is een ‘gebalde’ tekst. Wat de dichter als moeder is aangedaan, heeft haar gebed gesmoord. Het synthetisch parallellisme, evenals andere vormen van parallellismen een bekende Hebreeuwse stijlfiguur, treffen we aan in de tweede strofe; de kreunende eik wordt nader geconcretiseerd door gevallen blad, door de afgerukte tak. Alle regels in het vers enjamberen wat spanning genereert. Zouden we uitsluitend de interpunctie volgen en na een komma, puntkomma of punt met een nieuwe regel beginnen, dan zou het gedicht veel minder geladen klinken.

Drie zinnen en vijf strofen tellen we. De vorm is verticaal symmetrisch: twee terzinen, een distichon en weer twee terzinen. De middelste strofe geeft de essentie weer: het dichterlijk ik staat woordeloos in de schaduw omdat haar zoon het leven is ontnomen. De witregels geven hier de inhoud ruimte en de dichter lucht. Niet alleen de lange klinkers ee en aa maar ook de oo in ‘nood’, ‘woordeloos’, ‘hoog’ enzovoorts versterken de klaaglijke inhoud. Het metrum is anapestisch; de klinkers van kernwoorden als ‘nood’,‘niet’ en ‘niemand’, ‘zwijg’, ‘gesmoord’ krijgen daarin een heffing. De antimetrie in ‘stam/afgerukt’ geeft de crue inhoud reliëf.

Waarom koos Hester Knibbe voor nummer 4631 als psalmnummer? Waarom niet ook 151? Of desnoods 1000. Ik vermoed om te benadrukken dat het, anders dan in Bijbelse psalmen, niet over een of ander algemeen onheil gaat, maar over een specifiek persoonlijk drama. Het is het grafnummer van Knibbe’s zoon.

In de vorig jaar verschenen bundel Bedrieglijke dagen (De Arbeiderspers, 2008) staat als laatste dit titelloze gedicht; de cursivering is hier van Knibbe.

    

Zo heb je het zelden: turksblauw
de zee met daarboven geen wolkje
van witwas of roet in het eten,
van honing het strand met hooguit
wat stenen die je voetzolen lichten en
tenen doen krommen, achter je rug

een grillige kom met huizen melkwit
in een middag die schift van een hitte
waar stilte in klontert. Alles klopt

als een wonder, een zwerende
vinger, een ansicht.

 

Lambert Wierenga, zelf medewerker aan de Klassiekers, stuurde de volgende reactie:

Een indrukwekkend gedicht, dat van Hester Knibbe. En een al even indrukwekkende analyse ervan van de hand van Inge Boulonois! Vooral de uitsmijter daarvan kwam bij mij aan als een goed getimede dreun. Een paar opmerkingen in de marge van de bespreking.

1. Bij alle actuele innovaties met psalmen verdient ook De Psalmen in de bewerking van LLoyd Haft (Ida Gerhardtprijs 2004) het te worden vermeld.
2. Het zou, in het intertekstuele kader van Bijbelse literatuur dat Inge Boulonois schetst, te overwegen zijn dat niet het ‘boek der psalmen’ de primaire referentie van Knibbe is, maar de zogenaamde ‘Psalm van Jona’, uit Jona 2:3. Deze begint in de meeste vertalingen, anders dan die van de meeste psalmen, ook met “In mijn nood roep ik…”, op het moment dat de hoofdfiguur Jona, opgeslokt door de grote vis, zich in het dodenrijk weet. Juist het enjambement van de eerste naar de tweede regel wekt éven de suggestie dat er tot iemand wordt geroepen. Zoals door Jona.
3. De Bijbelse intertekst zou misschien ook te vinden zijn in “… schaduw …”. Maar die referentie is sterk ambivalent: ‘schaduw’ kan in de psalmenliteratuur verwijzen naar ‘bescherming’ (Psalm 17:8; 91:1; 121:5), maar ook van ‘sterfelijkheid’ en ‘dood’ (Psalm 39:7). Die overweging maakt het gedicht extra schrijnend: “Geen stem, en geen antwoorder” (ook een bijbelcitaat). In bevindelijke taal wordt de uitdrukking ‘Door het dal van de schaduwen des doods’ gebruikt om doodsangst onder woorden te brengen.
4. Zijn ‘kreunen’ en ‘klagen’ een tautologisch koppel? Ik zou het eerder als een synoniemenpaar zien, gecombineerd in een welsprekend ‘binoom’. Bijna als termen in een metonymische relatie: het ‘kreunen’ als manifestatie van ‘klagen’. Helemaal, zoals Inge Boulonois onderstreept, in het kader van een lamento!

Nawoord Inge Boulonois:

Mijn dank aan Lambert Wieringa voor zijn gewaardeerde kanttekeningen! Graag reageer ik erop.

In nummer 89 van Meander Klassiekers staat mijn bespreking van ‘Naar Psalm 1’ uit De Psalmen in de bewerking van Lloyd Haft (Querido, 2003). Daarin besteed ik al de nodige aandacht aan zijn psalmvernieuwingen; ook is te lezen dat Haft in 2004 voor de genoemde bundel de Ida Gerhardt Poëzie Prijs ontving. In de nieuwe Klassieker had ik daar even naar kunnen verwijzen.

Wieringa werpt op dat Knibbe’s psalm geïnspireerd zou kunnen zijn door de Jona-psalm (3:2). Het begin, ‘In mijn nood roep ik de Heer aan’, doet daar natuurlijk sterk aan denken. Tijdens het schrijven van de analyse heb ik met Psalm 4631 in mijn hoofd in het psalmboek gebladerd, op zoek naar een exemplaar dat Knibbe als primaire bron zou kunnen hebben gebruikt. Van dat idee ben ik echter afgestapt.

Ten eerste wemelt dat boek van aanroepen van de Heer bij kommer en kwel. Aanzienlijk minder frequent trouwens als opmaat. In de katholieke editie van de Nieuwe Bijbelvertaling zien we een initiële aanroep in de nummers 28 (‘U, Heer, roep ik aan’), 120 (‘Roep ik in mijn nood tot de Heer’), 130 (‘Uit de diepte roep ik tot u, Heer’ ), 141 (‘Heer, u roep ik aan, kom mij te hulp’) en 142 (‘Luid roep ik tot de Heer’). Het woord ‘nood’ komt in die regel alleen in Psalm 120 voor. Maar dat is een pelgrimslied waarin het lyrisch subject de Heer vraagt hem te bevrijden van leugenaars en bedriegers, m.a.w. een volstrekt andere situatie dan  in Psalm 4631. Mijn kennis over het gelaagde wijsheidsverhaal Jona – en dus ook over zijn psalm – schiet echter te kort om de inhoud met die van Knibbe te kunnen vergelijken, nog afgezien van de vraag of ik al doende niet te veel van het eigenlijke onderwerp zou afdwalen.

Niet uitsluitend de eerste regel evoceert allerlei Bijbelteksten, ook de boom doet dat. Ik beperk mij tot één opvallend voorbeeld. Bij de eik in Knibbe’s tweede strofe moest ik denken aan Genesis 35:8 waar de voedster van Rebekka onder zo’n boom wordt begraven die daarom ‘Eik van geween’ werd genoemd. Alles bij elkaar genomen besloot ik toen geen specifieke suggestie te doen over de primaire referentie.

Mooi trouwens dat Wieringa weer de aandacht vestigt op de suggestieve kracht van het enjambement van de eerste naar de tweede regel: in haar nood roept ze wel en niet Inderdaad is Knibbe’s psalm een indrukwekkend gedicht!

Terecht stelt Wieringa dat de symboliek van ‘schaduw’ in Bijbelse optiek ambivalent is. Niet alleen is het de beschermer van leven, immers ze beschut tegen zon en hitte, ‘schaduw’ komt eveneens voor als beeld van vergankelijkheid. Zo doelt de lange schaduw ’s avonds bij de verzinkende zon in Psalm 109:23 op het levenseinde. Maar grosso modo heeft het woord in de bijbel een positieve betekenis en in die mening weet ik Den Heyer en Schelling in hun gedegen naslagwerk Symbolen in de bijbel. Woorden en hun betekenis (Meinema, 2000) aan mijn zij. Omdat het bij Knibbe om de schaduw van een boom gaat, vond ik dat de van de originele betekenis gededuceerde positieve kant – sub umbra alarum Tuarum – benadrukt moest worden.

Als laatste punt het ‘binomium’ van ‘kreunen’ en ‘klagen. Van Dale geeft bij het lemma ‘kreunen’: een zacht klagend geluid maken (gewoonlijk met gesloten of nauwelijks geopende mond), zacht kermen. Strikt beschouwd kun je het metonymie noemen: ‘kreunen’ dan wel ‘zacht kermen’ als manifestatie van ‘klagen’. In de syntactische equivalentie bij Knibbe lag voor mij tautologie meer voor de hand.

 

 

Geplaatst in Klassiekers.