Klassieker 122: Simon Vestdijk – Zelfkant

door Karin Doornik

Meander Klassieker 122

April 2009 overleed Martin Bril, “onze chroniqueur van het alledaagse in Nederland”. Aan deze veel te vroeg overleden schrijver moet Karin Doornik denken wanneer zij het gedicht ‘Zelfkant’ van Simon Vestdijk leest. Reden, om hier eens uitgebreid bij stil te staan.

Zelfkant

Ik houd het meest van de halfland’lijkheid:
Van vage weidewinden die met lijnen
Vol wasgoed spelen; van fabrieksterreinen
Waar tussen arm’lijk gras de lorrie rijdt,

Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.
Want ‘k weet, er is waar men het leven slijt
En toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid
Te vinden dan in bergen of ravijnen.

De walm van stoomtram en van blekerij
Of van de ovens waar men schelpen brandt
Is meer dan thijmgeur aanstichter van dromen,

En ’t zwarte kalf in ’t weitje aan de rand
Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd
En in één beeld met sintels opgenomen.


Simon Vestdijk (1898 – 1971)

uit: Kind van stad en land (1936)
uitgever: Nijgh & Van Ditmar

Het zal weinigen zijn ontgaan: Martin Bril, onze chroniqueur van het alledaagse in Nederland, is op 22 april jl. overleden. Over zijn columns kan men van mening verschillen: sommigen zullen ze misschien qua vorm en inhoud te plat vinden, anderen roemen zijn uitgeklede stijl. Over de impact van zijn stukjes kunnen we het eens zijn: duizenden Nederlandse krantenlezers zullen de columns en de schrijver missen.

Aan deze veel te vroeg overleden schrijver moet ik denken als ik het gedicht ‘Zelfkant’ van Simon Vestdijk lees. Dit gedicht voert ons dan wel zo’n zeventig jaar terug in de tijd, maar het gaat eveneens over dagelijkse beelden met dezelfde alledaagse kleuren beschreven, zoals Bril die in zijn columns verwerkte.
In dit gedicht gaat het dan niet om een lege rotonde, maar om dokspoorlijnen, niet om Brils geliefde Volvo, ook al een klassieker, maar over de walm van een stoomtram.

Inhoud
In de eerste strofe zet Vestdijk ons even op het verkeerde been met het woord ‘weidewinden’: het wasgoed kan heel goed in stadse straten of stegen hangen, in ieder geval niet boven groene weiden, de wind komt er slechts vandaan en is bovendien vaag. In de derde en vierde regel krijgen we echter een sterk beeld: dat van fabrieksterreinen met hier en daar een strookje gras. Het woord ‘lorrie’ lijkt bijna negentiende-eeuws maar blijkt in de eerste editie van de Van Dale uit 1864 nog niet voor te komen. Het is een laag en vlak dienstwagentje dat op de rails met de hand of met een hefboomstang wordt voortbewogen.
Het houdt direct verband met de in de eerste regel van de tweede strofe genoemde ‘dokspoorlijnen’, een woord dat niet in de Van Dale is opgenomen, maar alleen te vinden is bij een website als Transport.nl. Ik neem aan dat de dichter hier een gebied beschrijft dat vlak bij een haven ligt. Die lorrie die op die rails rijdt, is bevracht met een geheim. Dat blijft voor de lezer, althans voor mij, net zo raadselachtig als het misschien bedoeld is door de dichter. Tweede regel: ‘het leven slijt’ geeft het beeld van de berustende arbeider, die zwaar werk moet doen. De ‘ik’ in het gedicht weet hoe zo’n leven eruitziet, maar is het ook de ‘ik’ die daar rondzwerft. Of heeft ‘zwervend’ betrekking op iedereen die op die manier verzeild raakt in dit gebied?
Derde strofe: De walm van de stoomtram is goed voor te stellen, ook in onze tijd. De blekerij zal ook een kleine fabriek geweest zijn waar stoom werd gebruikt, een industrietak die destijds al aan het uitsterven was., evenals de schelpenbranderij (kalkoven). De ‘ik’ stelt dat die walmen tot dromen aanstichten. Dit lijkt me in tegenspraak met het niet-leven uit de tweede strofe. Iemand die nog dromen kan hebben, leeft wel degelijk. Of is het hier weer de dichter zelf die inspiratie vindt in op fabrieksterreinen?
Tot slot het aandoenlijke kalf aan het einde van dit sonnet. Is het zwart van nature of is zijn vel vervuild door industrierook? Hier hebben we dan toch een echt weitje, helemaal aan de rand van een fabrieksterrein. Het wordt door een ‘onverhoopt’ gedicht bevrijd. Inderdaad verrassend, want de omgeving waarin het kalf zich bevindt, is allesbehalve poëtisch. Het vormt één beeld met de sintels, dit is mooi verwoord, door de dubbele laag. Het kalf is zwart, de sintels zijn ook zwart, dus letterlijk valt dit beeld samen en tegelijkertijd is het juist bijzonder dat het kalf en de sintels samen in een gedicht terechtkomen. Deze regel bevestigt nog eens het thema van dit gedicht: de halflandelijkheid.

Vorm 
Het gedicht is een sonnet, waarbij in de eerste twee kwatrijnen consequent de ij-klank wordt gebruikt, mannelijk en vrouwelijk rijm wisselen elkaar af in het schema ABBA – BAAB. In de twee terzetten gebruikt de dichter nog twee klanken: ACD – CAD. Elke regel begint met een hoofdletter. Als het gedicht actueel was geweest en met een tekstverwerker gemaakt zou zijn dan lijkt het alsof de dichter een van de, soms hinderlijk automatische, functies van Word niet heeft uitgeschakeld.
Louter voor de vorm is er een scheiding tussen de twee kwatrijnen, want de laatste regel van de eerste strofe en de eerste regel van de tweede strofe lopen in elkaar over. De terzetten vormen wel elk een eenheid, ondanks de komma achter ‘dromen’ (regel 11) en het woord ‘En’ (regel 12).

___

In zijn Verantwoording bij de driedelige uitgave van Vestdijks Verzamelde gedichten tekent Martin Hartkamp aan dat ‘Zelfkant’ voor het eerst verscheen in De Gids van 1933 (III, p. 187). Het stamt uit een periode [1930-1932] waarover Vestdijk zelf zei: ‘In anderhalf jaar heb ik poëzie geschreven voor zes bundels, een soort uitbarsting dus.’
Een van die bundels werd dus Kind van stad en land (1936).
De tekst in de Verzamelde gedichten volgt die uit Een op zeven (Een keuze uit de gedichten, Nijgh & Van Ditmar, Rotterdam – ‘s-Gravenhage 1955); deze heeft t.a.v. de tekst uit Kind van stad en land een kleine verandering in r. 6. ‘Want ‘k weet, er is daar waar men ‘t leven slijt’ werd: ‘Want ‘k weet, er is waar men het leven slijt’
Voor deze Klassieker werd de spelling gemoderniseerd: wasgoed, tussen, blekerij, dromen, i.p.v. waschgoed, tusschen, bleekerij, droomen.

T.a.v. de oorspronkelijke Gids-versie (zie hieronder) zijn er verschillen in zes regels, alle in het octaaf.


Zelfkant

Ik houd het meest van de halfland’lijkheid:
Van ‘t gras, dat arm’lijk op fabrieksterreinen
Groeit; van de weidewinden, die met lijnen
Vol waschgoed spelen; waar de lorrie rijdt,

Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.
Want ‘k weet, dat ik waar men het leven slijt
En toch niet leven kan, meer eenzaamheid
Zal vinden dan in bergen of ravijnen.

De walm van stoomtram en van bleekerij
Of van de ovens waar men schelpen brandt
Is meer dan thijmgeur aanstichter van droomen,

En ’t zwarte kalf in ’t weitje aan de rand
Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd
En in één beeld met sintels opgenomen.


Karin Doornik

Geplaatst in Klassiekers.