Erik Jan Harmens – Ik ben een bijl

En Harmens vond dat het goed was

door Bouke Vlierhuis

Het is een heel gedonder, een bloemlezing recenseren. De gedichten die er in staan zijn namelijk altijd te verschillend om in een stukje van zeshonderd woorden over één recensentenkam te scheren. Maar eigenlijk is het ook wel weer makkelijk. Want voor ieder gedicht dat er in staat staan er een paar duizend niet in, dus een lijstje van wat ontbreekt is gauw gemaakt. Zo ook bij Ik ben een bijl, samengesteld en ingeleid door Erik Jan Harmens. Guus Middag gaf in NRC Handelsblad een goede aftrap. Hij wond zich op over het criterium dat de dichters in Harmens’ bloemlezing na 2000 gedebuteerd moeten zijn. Het stak hem dat daardoor Atze van Wieren wel was opgenomen en onder andere Nachoem Wijnberg, Ingmar Heytze, Ruben van Gogh, Peter Ghyssaert, Peter Verhelst en Erik Menkveld niet. Van de dichters die wel aan het criterium voldeden miste hij er ook een hoop: Philip Hoorne, Willem Thies, Vrouwkje Tuinman, Victor Schiferli, Maarten Inghels, Ester Naomi Perquin, Hanz Mirck, David Troch, enzovoort. Willem Thies wist er daar op Poëzierapport nog een paar aan toe te voegen, waaronder Adriaan Jaeggi (aan wie de bundel overigens wel is opgedragen), Erik Solvanger, Martijn Benders en Edwin Fagel. Zelf heb ik ook een recensentenego en ondanks het vele voor mijn voeten weggemaaide gras kan ik als ontbrekende dichters nog Norbert de Beule, Geert Buelens en Hedwig Selles noemen.

Allemaal gezwets natuurlijk; ik bedoel, dat zijn stuk voor stuk dichters waar weinig mis mee is, maar als wij die dan zo graag in een bundel bij elkaar willen zien, dan moeten we ons eigen boekje maar maken. Een mening is tenslotte, zo sprak eens een groot dichter, net een kontgat: iedereen heeft er een.

Om de aandacht wat af te leiden van de grote mate van willekeur – of persoonlijke voorkeur – die de selectie van het werk voor dit soort bloemlezingen kenmerkt, voorziet de samensteller de bundel meestal van een soort van manifest waarin hij, uiteraard in zo vaag mogelijke termen, uitlegt waarom hij de gedichten heeft gekozen die hij heeft gekozen. En het voorwoord van Ik ben een bijl is in het genre een juweeltje. Of eigenlijk lijkt het bij nader inzien meer op een parodie op het genre. In willekeurig bij elkaar gezette kreten en in een krakkemikkige stijl stelt Harmens allerlei eisen aan gedichten die even abstract als onmogelijk zijn. ‘Ik wil poëzie die wordt afgewezen maar als een onder water gedrukte voetbal met een buts komt bovendrijven.’ Wat betekent dat in vredesnaam? Maar goed, voor de goede verstaander is de laatste eis die hij stelt de belangrijkste: ‘Ik wil de dichters wier poëzie u aantreft in dit boek.’
En dat is het. Alle gedichten die in dit boek staan, staan daar om één enkele reden: omdat Erik Jan Harmens ze er in wilde hebben. En dus heeft het geen enkele zin om je af te vragen waarom de bundel, na al het bombast, anticlimactisch opent met een paar wat brave gedichten van Maria Barnas, waarom er überhaupt, ondanks al die ronkende eisen, zo veel brave gedichten in staan, waarom Harmens ruimte heeft verspild aan die afgrijselijke zooi van Ilja Leonard Pfeiffer, waarom hij uit de prachtige debuutbundel van Lucas Hirsch nou juist het mindere gedicht ‘In leegte’ selecteerde, wat Lammert Voos, Eus en Alex van Warmerdam in dit boek te zoeken hebben of waarom er van Ramsey Nasr per se een gedicht van vijftien pagina’s in moest. Het is zo omdat Harmens het zo wilde. En het is goed.

Vaak is het zelfs erg goed. Zo komen we bijvoorbeeld ‘De dagelijkse taken…’ tegen van Mark Boog.

De dagelijkse taken

De dagelijkse taken: het oprichten van het standbeeld
dat ik ben geworden, het bedekken van het lijf, drinken
van koffie, het ontmantelen van de plannen van gisteren,

het enzovoort. Het nogmaals opschorten van ongeloof.

Ik geef me over aan je onthutsende aanwezigheid, je
ogen. Dat ze me zien is nog het vreemdste, dat ze

leven zijn en vol van tijd. De morgen bloeit onwetend
in je spiegel. Ik weet niet precies waarin je gelooft.

Volgt het handwerk van elke dag, het met almaar groter
vakmanschap vervaardigen van redenen en van excuses,

volgt de avond, dan de dood, die we ontwijken in ons
haveloze bed, die we bedriegen door heel stil te liggen.

Als dat een bijl is, doe mij er dan nog maar een paar. Verdere hoogtepunten zijn een grote selectie gedichten van de fantastische Saskia de Jong, ‘Billboard’ van Alexis de Roode, Nederlands enige echte jonge geëngageerde dichter, en werk van Ellen Deckwitz, Pim te Bokkel en Eva Cox.

Het voorwoord van deze bundel moeten we maar opvatten als een plaagstoot van een recensent aan zijn collega’s. Die hapten dan ook massaal. De verstandige lezer zal dat verder worst zijn. Hij leest geen voorwoorden, hij bladert door bloemlezingen en ontdekt van allerlei moois. En in dit boek is genoeg te ontdekken. Trouwens, bij Meander zijn we ook een bloemlezing aan het samenstellen. Deze komt als het goed is in januari uit en het manuscript is zo goed als klaar. Er moet alleen nog een voorwoord geschreven worden.

Geplaatst in Recensies.