'Om over het leven te kunnen schrijven, moet ik geleefd hebben'

Er zijn schrijvers die zowel met proza als poëzie een publiek aan zich weten te binden. Tot deze categorie behoort Fleur Bourgonje. Van haar verschijnen in september gelijktijdig de dichtbundel Hartenbeest en de roman Verdwijnpunt bij De Arbeiderspers.

Foto: Chris van Houts

 

Hoe bent u begonnen met het schrijven van gedichten?
Zoals zo veel dichters ben ik op de middelbare school gefascineerd geraakt door poëzie. Destijds moest je nog gedichten in de verschillende talen uit het hoofd leren en voordragen. Ik kon intens geroerd raken door klank en ritme, en natuurlijk door de beelden. Zelfs al begreep ik een gedicht niet, dan nog kon ik het ‘vasthouden’. Datzelfde had ik met lyrisch geschreven proza. Nu nog kan ik zinnen uit Franse romans oproepen, met de vervoering die ze veertig jaar geleden in me opriepen; dat had vooral te maken met klank en ritme. Gedichten schrijven vond ik het allerhoogste waarnaar ik kon streven. Ik zag het waarschijnlijk ook als een vlucht uit het leven van alledag, dat ik als eentonig, zelfs beklemmend, ervoer. Poëzie was verheffing, opwinding, magie, innerlijke vrijheid. Het was alsof ik met mijn verlangen om zelf te gaan schrijven een geheim bij me droeg, een gevoel van verwachting dat me door niets of niemand afgenomen kon worden.

Zijn uw gedichten veranderd sinds uw poëziedebuut?
Mijn eerste dichtbundels getuigen van haast, ongeduld, achteloosheid, en dat zijn slechte raadgevers. Pas later heb ik beseft dat het schrijven van gedichten een intense concentratie vereist en een grotere kennis en toepassing van de ambachtelijkheid, dat niet iedere gemoedstoestand zich leent voor het vinden van authentieke beelden, dat je niet op ieder gewenst moment bij je meest eigen toon en taal komt. Je moet weten te wachten. Je moet de tijd nemen en veel lezen, aandachtig luisteren. De ervaring geeft meer durf, een grotere speelruimte en misschien ook een grotere taalgevoeligheid.

Hoe is de bundel Hartenbeest tot stand gekomen?
De cyclus ‘Hartenbeest’ is ontstaan – niet geschreven – tijdens een reis door de Karoo, een woestijnachtig gebied in Zuid-Afrika. Op de rotswanden zijn eeuwen geleden inheemse dieren afgebeeld, onder andere het hartenbeest. Dat is een soort antilope die in de verbeelding van de oorspronkelijke bewoners heen en weer rent tussen de wereld van de levenden en die van de doden om boodschappen over te brengen. Dat beeld sprak me onmiddellijk aan. Ik heb de taal als een antilope heen en weer laten rennen tussen mij en de mensen die uit mijn leven zijn verdwenen. Het ’verhaal’ van de cyclus ‘Vrouw in het wit’ is in me opgekomen toen er op het o zo vredige strand van Egmond aan Zee een lichaam uit de branding werd gesleept. ‘Nabrand ‘ is ontstaan tijdens een eenzaam en meditatief verblijf in de Pyreneeën; ook in deze gedichten probeer ik de doden tot leven te wekken en de vermisten aanwezig te maken door middel van de taal. De cyclus ‘Tijd’ is een soort epiloog, drie beschouwende gedichten waarin ik me neerleg bij het feit dat ‘verdwijnen’ – sterven – hoort bij het leven en dat het verleden voorgoed voorbij is.

Waarom brengt u gelijktijdig een roman en dichtbundel uit?
Dat was een idee van de uitgever. Een van de gedachtes erachter is mijn lezers te laten zien, dat ik een en hetzelfde thema op verschillende manieren heb weten te verwoorden en vorm te geven.

In zowel Hartenbeest als Verdwijnpunt staat het spoorloos verdwijnen van geliefde personen centraal. Wat is het verschil tussen de twee boeken?
Verdwijnpunt is een roman die bestaat uit verschillende verhaallijnen die met elkaar vervlochten zijn. Het boek heeft een duidelijke structuur en de personages komen voortdurend terug, de verteller blijft dezelfde. Hoewel de volgorde van de hoofdstukken associatief is ontstaan, moest ik op mijn hoede zijn wat de verteltechniek betreft, en de overgangen en de tijden moesten kloppen. Ik heb ook heel wat research gedaan want er moesten feiten in de tekst verwerkt worden. Achteraf gezien is het millimeterwerk geweest, een soort legpuzzel die ik half bewust half onbewust in elkaar heb gepast.
Hartenbeest is poëzie. Het schrijven van de gedichten was geen cerebrale onderneming, ze zijn geschreven in een andere gemoedstoestand, er is sprake van een ander soort ‘zien’: alomvattender, flitsender, beeldender.
In de roman heb ik iets willen vertellen, terwijl de gedichten zichzelf hebben geschreven: ze hebben zich aangediend.

In een eerder interview in Meander zegt u dat u andere registers opentrekt bij het schrijven van poëzie en proza. Komen deze werelden nu bijeen?
Daar kan ik zelf moeilijk over oordelen. Misschien dat het ritme en vooral de toon in beide boeken min of meer dezelfde zijn omdat die nu eenmaal bij mij en mijn werk horen. Ik zie in de roman wél fragmenten, of zelfs hoofdstukjes die min of meer lyrisch zijn, terwijl sommige gedichten en cycli verhalend zijn. Je zou kunnen zeggen dat daar poëzie en proza bijna samenvallen.
Hartenbeest bestaat uit vier afzonderlijke delen die op een andere plaats en natuurlijk ook op een ander tijdstip zijn geschreven. Wat verbindt de gedichten?
Het thema – verdwijnen, missen, verlangen – is de rode draad. Die draad loopt dwars door de verschillende tijden, landschappen en situaties naar het eindpunt: het vergeten, of misschien de verdringing, dat in mijn ogen ook een acceptabele vorm van vergeten is.

De vorm van de gedichten verschilt in de cycli nogal. Wat is hier de verklaring voor?

De cyclus ‘Hartenbeest’ bestaat uit een proloog en een reeks op zichzelf staande gedichten met ieder een eigen vorm en eigen ritme. Ze zijn los van elkaar ontstaan, op heel verschillende momenten en in verschillende gemoedstoestanden. De twee andere cycli zijn als het ware in één adem, één pennenstreek geschreven en vertellen een verhaal. Daar had ik een stramien voor nodig. Ik wilde dat het een eenheid werd, geen rommelig of springerig geheel. Het zijn gedichten die qua vorm en inhoud bij elkaar horen; afzonderlijk verliezen ze, denk ik, hun betekenis.

Beïnvloedt de plaats waar u schrijft uw gedichten?

Er zijn landschappen waarin de gedichten naar me toe komen en er zijn landschappen die verhinderen dat ik ontvankelijk ben voor gedachten, beelden, klanken; dat geldt ook voor proza. Hoe leger en weerbarstiger het landschap en hoe meer licht er is, hoe scherper de beelden en de woorden zijn die zich aan me opdringen. De Atacama-woestijn in Chili is voor mij heel vruchtbaar geweest, net als de Karoo en de Sahara. Ook op afgelegen eilanden gebeurt er van alles in mijn hoofd. Een leegte of stilte kan ik bevolken met wat ik zelf aan beelden en fantasie in me heb. In een grote stad gebeurt van alles tegelijkertijd en er is zoveel kabaal dat ik heel moeilijk in die ‘staat van genade’ raak waarin gedichten ontstaan. Ook in een bos of, erger nog, een oerwoud, raak ik verlamd: er zijn te veel en te verontrustende prikkels. Het uiteindelijke schrijven en herschrijven doe ik bijna altijd thuis.

U verblijft vaak in het buitenland en schrijft daar ook. Wat verbindt u met Nederland?
Tijdens de reizen schrijf ik niet, ik noteer alleen woorden, namen van dieren of planten, ik schrijf de trefwoorden op van een voorval of een plotseling inzicht, soms een paar zinnen. Pas als ik later met gesloten ogen de film van mijn reis afdraai, de sfeer oproep en ontmoetingen of voorvallen herbeleef, pas dan schrijf ik. Dat kan thuis zijn of tijdens een lang verblijf in het buitenland. Niet tijdens een kortere reis, omdat ik dan geen rust vind.
En wat mij met Nederland verbindt? De taal. En de tandarts.

U gaf eerder in een interview aan dat u bij voorkeur gedichten schrijft. Toch schrijft u nog steeds meer proza dan poëzie. Waar ligt dit aan?
Ik denk dat ik zuinig moet omgaan met het lyrische ‘materiaal’. Bovendien zijn de momenten of periodes van extreme zintuiglijke en emotionele ontvankelijkheid, die een voorwaarde zijn voor het schrijven van poëzie, spaarzaam. Het gebeurt maar eens in de zoveel tijd dat een werkelijke vervoering me in haar greep krijgt en vasthoudt. De concentratie die nodig is voor het schrijven van proza is anders, minder totaal, en kan ook onderbroken worden. Het geheugen houdt de draden van een verhaal meestal wel bij elkaar, daar heb ik op leren vertrouwen, terwijl ik bij een onderbroken gedicht niet weet of ik het ooit nog op dezelfde toon en met dezelfde intensiteit kan oppakken.

U publiceert met grote regelmaat en met een hoge frequentie. Hoe komt dit?
Tot nu toe heb ik voortdurend ideeën voor romans en verhalen gehad. Ik ben meer dan eens de wereld over geweest en heb veel gezien en beleefd. Nu ga ik eigenlijk alleen nog op reis om indrukken op te doen, nieuwe dingen te zien en nieuwe mensen te ontmoeten, waardoor mijn geest en gevoel opnieuw op scherp komen te staan. Op reis staat het toeval bijna altijd aan mijn kant, het is niet het georganiseerde maar het onvoorziene dat me in bijzondere situaties brengt en soms een nieuw inzicht geeft. Het reizen zelf – de vliegtuigen, bussen en boten – vind ik langzamerhand een kwelling. Alleen de auto en de trein zijn nog steeds leuk.
Ik weet niet of ik nog veel zal schrijven als ik niet meer kan breken met het bekende. Ik ben nu eenmaal geen studeerkamerschrijfster of theoretica. Ik moet het hebben van het geziene, het doorstane, de ervaring. Het was, meen ik, Ingeborg Bachmann die zei: ‘Alleen met mijn verbrande hand kan ik schrijven over de aard van het vuur’. Die gedachte deel ik. Om over het leven te kunnen schrijven moet ik geleefd hebben. Hetzelfde geldt voor de liefde. Voor verlangen en angst. Voor het gevoel van ontberen en missen.

U bent in uw journalistieke werk erg betrokken. Hoe verhoudt zich deze kritische journaliste tot de meer introspectieve dichteres?
Ik heb mezelf nooit als journaliste gezien maar als een auteur die, als daar een aanleiding toe is of uit noodzaak, ook reportages en artikelen schrijft.

Welke aspecten van uw persoonlijkheid ontvouwt u als dichteres, welke als auteur van romans en welke als journaliste?
Mijn werk- of schrijfterrein is, ongeacht het genre, het spanningsveld tussen het bewuste en onbewuste, het zichtbare en onzichtbare, de verlangens van het individu en de dwingende, soms zelfs terroriserende eisen van moraal en maatschappij.
In de journalistiek kan ik mijn kritische blik en mijn opstandigheid kwijt.
In een roman of in korte verhalen kan ik een denkbeeldige wereld scheppen en personages naar mijn hand zetten, verborgen gevoelens, gedachten en driften belichten, het leven in kaart brengen. Bovendien kan ik iets ‘maken’, een verhaal op een ambachtelijke manier in elkaar zetten, technische hindernissen opwerpen en overwinnen.
Het schrijven van gedichten heeft te maken met het proberen te verwoorden van de hoogsteigen blik, het werkelijke ‘zien’. Niet het ‘kijken naar’ maar het ‘zien’. Terwijl tegelijkertijd het ludieke aan bod komt, het spel met de taal, met klank en ritme. En, in het beste geval, het spel met mezelf en het leven.

Zie ook www.fleurbourgonje.nl

Geplaatst in Interviews.