Gedichten

Bezoek aan het geboortehuis van C. B.

Hier werd mijn jonge vriend geboren!
Met schroom deed ik de voordeur van het
slot. Het huis stond leeg. Rollend pluisstof.
Zonder woorden was toen mijn gebed.

Om mij heen werden de muren broos.

Buitenlucht scheen er doorheen. Stemmen
fluisterden mij verzen in. Klaagtaal
over tijd die te beginnen stond:

eeuwen waar mijn vriend geen weet van had.

Herberg zonder naam

De herberg heeft geen naam, hetzij een die de schaamte
van het grauw dat hier nog samen is kan spreken.
Laatste halteplaats met echte bedden. Het gelag
van sletten en soldaten stoort mij bij het avondmaal.

Ik lees een vers en steel daaruit het vuur
om eigen regels aan te branden. Niet mijn lijf.
Dat gaat vandaag alleen met zichzelf naar bed.

De gelagzaal stroomt pas leeg wanneer het avond is.
Het hormonale ruisen gaat steeds rond –

verwarmt mijn bloed, verdooft mijn oor.

Omweg via Winsum

Tamminga, ook ik verloor een zoon.
Toorn richting de hemel, die met zwijgen
werd beloond. Laagtij voor het zware hart.

Weten: niet méér dan ijdel wachten lijkt
dit leven, nu het moet geleefd. Mijn zoon
is droomschuim, rouwkruid, inkt op perkament.

Vaders tronen hoog, hoogmoedig, boven
eigen schepsels uit. De natuur verdraagt
dat niet en straft. Inktwaan, zangdrift,

en het leven in een leeg heelal.

Ómwaeg äöver Winsum

Tamminga, ouch ich verlaor eine zoon.
Gif richting de hemel, det mèt zjwiege
waerdje beloeëndj. Lieëg water väör ’t zjwaor hert.

Weite: neet miér as laeg wachte liektj
dit laeve, noe ’t gelaefdj mót. Miene zoon
is druimsjoem, rouwkroed, inkt op perkament.

Vaders troeëne hoeëg, hoeëvaerdig, baove
eige sjöpsels oet. De natuur verdreugtj
det neet en sjtraoftj. Inktinbeeldjing, zangklaerigheid,

en ’t laeve in ein laeg heelal.

© Vertaling: Frits Criens

Drielandenlabyrint

Was ik een labyrint, het middelpunt zou Bolsward heten.
Geen Vaals. Het is mij van taal hier niet scherp genoeg.

En zondags zingen ze de ketterse gezangen die mij,
cantor, blijven steken in de keel. Nooit had ik heimwee.

Nooit eerder zocht ik de omhelzing van mijn land,
zocht ik water waar ik gele plomp in planten zou.

Water? Waar komt dat water nu vandaan? Ik ben niet graag
het mikpunt van dit schertsvertoon. En ik beloof: kom ik hier uit,

dán ga ik naar het moederland terug. Zoveel landen!
Zulke schrale taal. Was ik een labyrint, ik zou, ik zou.

Trijelannelabyrint

Wie ik in labyrint, it middelpunt soe Boalsert hite.
Gjin Vaals. It is my fan taal hjir net skerp genôch.

En sneins sjonge se de ketterse sangen dy’t my,
cantor, yn ’e strôt stykjen bliuwe. Nea wie ik ûnwennich.

Nea earder socht ik it omearmkjen fan myn lân,
socht ik wetter dêr’t ik pompeblêd yn plantsje soe.

Wetter? Wêr komt dat wetter no wei? Ik bin net graach
it mikpunt fan dizze gekoanstekken. En ik beloof: kom ik hjir út,

dán gean ik nei it memmelân werom. Oeral lannen!
Sokke skriele taal. Wie ik in labyrint, ik soe, ik soe.

© Vertaling: Eppie Dam

Uit: Gysbert Japicx bezoekt het drielandenpunt, 2009, Friese Pers Boekerij.

Geplaatst in Gedichten.