De code van Mariano Shifman

De Argentijnse dichter Mariano Shifman (Lomas de Zamora, 1969), debuteerde in 2005 met de bundel Punto Rojo. Werk van hem verscheen verder in kranten en literaire tijdschriften. Fa Claes vertaalde diverse gedichten en Sander de Vaan had een mailgesprek met deze veelbelovende auteur.

Hoe zou u zichzelf in poëtisch opzicht omschrijven?
Bijna niets is zo gecompliceerd als jezelf omschrijven, zeker waar het je poëzie betreft. Volgens mij schrijven veel mensen uit spirituele noodzaak. Vaak ligt een gemis ten grondslag aan een kunstuiting, want alleen het absolute geluk – als dat al bestaat – is zaligmakend voor een mens.
In mijn gedichten probeer ik reflectie en muzikaliteit te combineren. Alle hulpmiddelen zijn daarbij geoorloofd en ik sluit dan ook niets uit omdat het ouderwets of achterhaald zou zijn. Meestal schrijf ik vrije verzen, maar soms gebruik ik ook rijm of een bepaald metrum.

Er zijn maar weinig dichters die van hun werk kunnen leven. Hoe verdient u de kost in het dagelijks leven?
Ik ben werkzaam als advocaat. Eerlijk gezegd vond ik mijn rechtenstudie interessanter dan de praktijk, want de advocatuur heeft ook zo zijn onaangename kanten. Eigenlijk zouden er in een ‘ideale’ samenleving maar heel weinig advocaten moeten zijn, maar hun aantal neemt – in ieder geval in Argentinië – zienderogen toe.
Hoewel het in eerste instantie een beetje gek lijkt, denk ik dat er bepaalde overeenkomsten bestaan tussen recht en poëzie. In beide disciplines vervult het woord een hoofdrol, hoewel niet zelden op tegengestelde wijze…

Hoe ontstaat een gedicht doorgaans bij u?
Dat is een moeilijke vraag… Misschien wordt een gedicht al geboren voordat je daar erg in hebt. Het krijgt echter pas vorm door een concrete stimulans: een woord, een zin, lectuur – niet noodzakelijkerwijs van poëzie. Ik laat me ook vaak inspireren door films, wetenschappelijke boeken en documentaires over het dierenrijk of astronomie. Dit laatste was bijvoorbeeld het geval bij mijn gedicht ‘Dar/Win’ en ‘The son of James Watson’. In formeel opzicht dient zich soms plotsklaps een vers aan, dat uiteindelijk het begin of het slot van een gedicht wordt. Maar soms ook put ik inspiratie uit een bepaald rijm of een woordspeling.

Wat is voor u het ideale gedicht?
Dat ligt voor eenieder weer anders. Ik hecht aan betekenisvolle gedichten, epigrammen haast. Natuurlijk heeft een dichtvorm als het sonnet als vehikel gediend voor schitterende gedichten, zowel in het Spaanse taalgebied – denk aan grote dichters als Góngora, Quevedo en Rubén Darío – als daarbuiten. Maar er zijn ook prachtige gedichten met vrije verzen geschreven. In thematisch opzicht heb ik een voorkeur voor gedichten die de essentiële vragen van het menselijke bestaan behelzen en die ondanks alle economische en sociale veranderingen in de loop der tijd niets aan actualiteit hebben ingeboet.

In het mooie gedicht ‘Natuurwetenschappen’ lezen we over de tijd: zij vloeit in het vergulde ogenblik. Dit ‘ogenblik-idee’ vinden we ook terug bij uw landgenoot Jorge Luis Borges, die zelfs een heel gedicht aan dit woord wijdde. In welk opzicht bent u door Borges beïnvloed?
Jorge Luis Borges is een van mijn favoriete schrijvers. Men zegt wel dat er over smaak niet te twisten valt, maar het zou mij zeer verbazen wanneer een literatuurliefhebber na lezing van verhalen als ‘De Aleph’ en ‘Het onverbiddelijke geheugen van Funes’ – om er maar een paar te noemen – niet onder de indruk van deze grote kunstenaar zou raken.
Ik herlees regelmatig Borges’ gedicht ‘Het ogenblik’, met die prachtige slotverzen: ‘Eeuwig maar ijl is elke vluchtige tel. / Daarbuiten wacht geen Hemel en geen Hel’. Tot nu toe was ik mij niet bewust van enig verband tussen dit gedicht en ‘Natuurwetenschappen’, maar het zou best kunnen kloppen wat u suggereert. Ik ben een groot bewonderaar van Borges en hij zal mij zeker beïnvloed hebben. Overigens is er een ander gedicht, ‘Instantes’ (‘Ogenblikken’) genaamd, waarvan men gek genoeg lange tijd heeft aangenomen dat het van Borges was. Dit betreft evenwel een zeer matig, apocrief gedicht.

Borges werd in de jaren zeventig in eigen land flink bekritiseerd, omdat hij een ‘reactionair’ zou zijn. Is die kritiek nu helemaal passé?
Ja, gelukkig wel. Men heeft het nu vooral over Borges’ prachtige oeuvre en niet zozeer meer over zijn politieke standpunten. Want laten we eerlijk zijn: wie heeft nu eigenlijk de politieke waarheid in pacht?

Een Nederlandse auteur zei ooit dat dichters wel eens de ‘officieuze regering van het land’ genoemd kunnen worden. Kunt u zich hierin vinden?
Nee, de invloed die dichters hier in Argentinië kunnen uitoefenen, is zeer beperkt – ik denk dat het in de meeste landen tegenwoordig zo is. Vroeger lag dat anders. Denk bijvoorbeeld aan Victor Hugo of Lamartine in Frankrijk. In hun tijd zou de door u geciteerde uitspraak zeker opgeld doen. Overigens heeft de grote Argentijnse dichter Alberto Girri hierover iets interessants gezegd: ‘Op je twintigste denk je dat je met een gedicht de werkelijkheid kunt veranderen, maar het enige wat je doet is die werkelijkheid bevestigen.’ Ik ben het met Girri helemaal eens.

Een van de in Meander gepubliceerde gedichten is ‘Spinoza bezwaar tegen Berkeley’. Waarom ontbreekt hier een werkwoord?
De titel van dit gedicht bevat een onvertaalbare woordspeling. Spinoza wordt in het Spaans als ‘espinosa’ uitgesproken, dat ‘lastig’ of ‘netelig’ betekent. Ik gebruik het hier dus ook als bijvoeglijk naamwoord.

Hoe ontstond het mooie slotvers van uw ‘Spinoza-gedicht’: God is de paardrang, het ei en het nest ?
Ik beoog met dit gedicht een dialoog tussen twee sterk verschillende filosofen te bewerkstelligen. De ‘spreker’ is Spinoza, die het solipsistische postulaat van de Engelse denker probeert te weerleggen. Het slotvers wil daarom een samenvatting zijn van Spinoza’s pantheïstische visie op het heelal. Alles is volgens hem God: de paardrang (lees, de seksuele impuls van de duiven); het ei (het materiële resultaat van die drang) en, ten slotte, het toevluchtsoord van de vogels, die hun genetische instructies doorgeven aan de volgende generatie.

Wat voor projecten heeft u voor de toekomst?
Mijn debuut Punto Rojo, verscheen in 2005, en ik werk nu al enige tijd aan een nieuwe bundel. Hopelijk laat publicatie niet al te lang meer op zich wachten. Hoe dan ook: gelukkig kun je vandaag de dag ook via internet gedichten verspreiden, zodat ze op plaatsen gelezen worden waar een bundel nooit en te nimmer zal belanden. Een ‘papieren’ publicatie blijft echter iets heel moois.
Overigens wil ik niet tot een bepaalde literaire groepering of stroming gerekend worden. Ik zal dan ook op mijn eigen wijze gedichten blijven schrijven, in de hoop dat ze stuk voor stuk een soort ‘code’ zullen zijn, flonkeringen van de natuur, de geschiedenis en het menselijk bestaan.

Geplaatst in Interviews en getagd met .