Jane Leisink – Er is weinig aan de lente veranderd

Met taal bereid

door Joop Leibbrand

Er is weinig aan de lente veranderd, de derde bundel van Jane Leusink, kwam al een jaar geleden uit, maar bleef helaas lang liggen op het verkeerde Meanderbureau. Wie zich er dan als recensent eindelijk over mag buigen, moet een flinke aarzeling overwinnen. In een jaar tijd zal immers het relevante wel gezegd zijn en al wat je dan achteraf zelf nog schrijft, dreigt over te komen als tweedehands. Dat het van een bespreking toch nog komt, zou je een daad van eenvoudige rechtvaardigheid kunnen noemen. Tegenover de uitgever, maar vooral tegenover de auteur. Een geflopte bundel nog eens extra neersabelen is een schandelijke daad van zelfbevlekking, maar een van de hoogtepunten uit de poëzie van het afgelopen jaar opnieuw onder de aandacht brengen is simpelweg gehoor geven aan de dure plicht het podium waarover je beschikt te gebruiken.

In weinig andere bundels van de afgelopen tijd valt zoveel te beleven als in deze. Hij is episch en lyrisch tegelijk, even uitdagend als toegankelijk, even experimenteel als beheerst, en daarbij is het opvallend hoe zelfbewust en met hoeveel overtuiging Leusink schrijft, zich nergens forceert, zich ook nergens behaagziek toont. Zij is duidelijk wars van simpele anekdotiek, lijkt allergisch voor gevoelsuitstortingen en waar je mag vermoeden dat haar particuliere bestaan aan de orde komt, neemt ze afstand, maar nooit zoveel dat ze de lezer buitensluit. Het belangrijkste: met taal bereidt zij haar gedichten, als taal dient zij ze op en vermijdt daarbij de makkelijke smaken, al gaat zij een enkele amuses niet uit de weg en is iets pesterigs haar niet vreemd. Het is een bundel waarmee je niet snel klaar bent, omdat je bij iedere herlezing in de meeste gedichten weliswaar nieuwe ontdekkingen doet, maar tegelijk een geheimzinnig, weerbarstig blijvend filosofisch ‘iets’ niet doorgrondt, hoe smakelijk en begripvol het in zijn coherentie ook wordt opgediend.

De bundel kent in zijn strakke opbouw een stevig fundament, dat gevormd wordt door de titelgedichten van de drie afdelingen. Dat zijn (zonder de toevoegingen tussen haakjes die alle titels krijgen): eerst ‘Nu‘, onderverdeeld in ‘Vrijplaats‘ en ‘Schuilplaats‘, dan ‘Hier‘, met de afdelingen ‘Oefenplaats‘, ‘Buitenplaats‘ en ‘Werkplaats‘ en tenslotte ‘Dit‘, dat moederziel alleen de laatste afdeling vormt. Alsof Leusink een eigen variatie van Van der Heijdens Het leven uit een dag uitprobeert, en alles inkadert en samenbalt in een kortstondig, maar verhevigd hier en nu, met alle ruimte om te vertragen en stil te staan bij een veelheid aan onderwerpen die tezamen het leven maken. Centraal daarin staat, hoe kan het ook anders in werk dat de moeite waard is, de tijd.

Nu [vandaag is onverbiddelijk stil]‘ opent arcadisch met de regels ‘Vandaag is onverbiddelijk stil het grijze strand/ een dag waarop het landerig verstand bevallig/ aan boord springt atletisch meelift en focust […] op warme beelden en geuren […]’; even verder is er sprake van ‘romige melk’ en ‘herderinnenharten’, van ‘rozen op stille plekken waar geliefden rusten’ en het gedicht eindigt met:

[…] vandaag loopt
het verstand niet achter feiten aan
en werkelijk alles mag je dragen en eten
als je met een schuin oog omkijkt ziet je geluchte
geheugen de tijd niet ook al was het gauw om
dit duurt lang hier

In het volle besef van de beperktheid en tijdelijkheid van het bestaan is dit de sublieme weergave van de tijdloze geluksroes van een haast mystiek eenheidsgevoel. Wat een genot te mogen leven!
In ‘Hier [is het krimpende wind en vrouwen aan boord]’ staat levensdrift eveneens centraal, hetgeen ruimte biedt om zelfs onbekommerd, in ‘opgeruimde gang’ te huilen om dode geliefden, want leven is weten dat alles verandert, je eeuwig voelen, de tijd vol schrijven en vaststellen: ‘lief wij zijn dit nu’.
Het afsluitende gedicht ‘Dit [op zo’n stille grijze stranddag]‘ beschrijft de gesteldheid van de mens die het gegeven is schuld- en zondeloos, vrij van iedere predispositie te leven: verlangens ervaren los van hun oorzaak, hartstocht voelen zonder aandrift, noch angst voor straf kennen, noch behoefte aan beloning en niets dat voort of achterwaarts woekert. Het is, schrijft Leusink, voor ons allen ‘wennen aan deze nieuwe positie’, ‘[…] maar een dag als vandaag/ is zo voorbij al duurt hij lang, zijn wij/ daar nu’. Het zijn de laatste woorden van de bundel.
Urenlang kun je als lezer alleen al in deze drie gedichten ronddwalen, omdat er heel verleidelijk ook allerlei religieuze connotaties meespelen. Bij herders en bij termen als straf en beloning is het van oudsher oppassen!

‘Heeft die lenige vrouw met haar taal u gesnapt/ of genaast’, vraagt het openingsgedicht (‘Zulke blikken’) van ‘Vrijplaats (zoekt een hand een hart om te aaien)‘, de eerste onderafdeling. Je zou de vraag aan het slot van de bundel verwachten, omdat de lezer dan pas kan zeggen of hij zich door dit werk van deze vrouw heeft laten inpakken, maar het is typisch Leusink om het uitdagend vooraf te doen. Ze kent haar kwaliteiten, weet dat zij ongrijpbaar blijft als de lezer zich waagt aan haar bestaan:

in het blikveld
is het een passen en meten
zij is tussen in
zij is verderop
geraakt hijgend

ergens tussen rand en veld
van vallende taal hebt u zich omgedraaid
haar bloeiende schaduw de vorm bij het diep in november

Lange, uitgesponnen gedichten staan er in deze afdeling, zoals ‘Hadewych’, dat voer is voor ontwikkelingspsychologen, en ‘Wit-Russische grootvader’, waarin het leven van nu verklaard wordt aan een oudere generatie:

we zappen door de werkelijkheid
we komen op en gaan
over de tong, schrapen
onze schoenen over ijzer
snuiven bloemen van dansvloeren
waarop nog tot in november taal gewicht en beeld
verovert of uitgroeit tot de nieuwste
politieke stellingnamen:

In ‘Wat we niet wisten’ is die lenige ‘vrouw met haar taal’ een biografische vrouw geworden, die in een indrukwekkend in memoriam de dichter Jellema bijpraat over de wereld van na zijn dood: ‘er is weinig aan de lente veranderd, de zon scheen maar/ het kon niet op, alle narcissen stonden uit den treuren hun rokken/ te oefenen, nergens stierf de neiging of nood tot benoemen/ nergens stierf de hang naar fixeren’.

De gedichten in ‘Schuilplaats (een hand voor ogen)‘ hebben een landschappelijk uitgangspunt, maar vertellen uiteindelijk een persoonlijk verhaal. In ‘Wij geven het profiel van een wierde hersteld’ is dat in stem en tegenstem haar plaats in het Groningse landschap, waar zij zich op een wierde ‘verstrooi[t]’ tussen de doden en dan vaststelt: ‘ik vind het niet nodig dat God hier rondzwerft als vogel/ en vleermuis waken want dit is het moment/ van de gevleugelde zandloper// maar in deze groene kamer steekt altijd een windvlaag/ symbolen de kroon, ik waai in al die onsterfelijkheid/ van mij stadwaarts, […]’

Met ‘Oefenplaats (dan is er weer vorm, en vorm)‘ zijn we dus na Nu in het Hier aangeland, en daarin wordt de toon duidelijk anders. In deze afdeling laat Leusink met een vijftal pantoens vooral haar speels-ambachtelijke kant zien. Het pantoen (een soort op hol geslagen rondeel) is een van oorsprong Maleise dichtvorm, die in de uitwerking die Leusink eraan geeft, bestaat uit strofen van vier regels waarbij de regels 2 en 4 van een eerdere strofe regel 1 en 3 van de volgende strofe worden, en zo verder. In de laatste strofe keren regel 1 en 3 van de eerste strofe dan in omgekeerde volgorde terug als regel 2 en 4, zodat het gedicht eindigt met de beginregel. Het is uiteraard een heel geknutsel, maar het bleek aanstekelijk en leidde op de Recensent zelfs tot een kleine hype. Doordat Leusink de inhoud o.a. relateert aan Brecht, Beaudelaire en Schuberts Winterreise, bereikt ze dat de gedichten meer zijn dan slechts een technisch hoogstandje. Twee sonnetten bij cartoons van Peter van Straten voltooien deze afdeling.

Buitenplaats (groen, beweeglijk)‘ opent met een hilarisch gedicht over de wijze waarop zij door ‘de man van de CPNB’ van de toekenning van de C. Buddingh’-prijs op de hoogte werd gebracht. Daarnaast zijn er mooie beschrijvingen van enkele Amsterdamse locaties en vooral van de oude Groningse Prinsenhoftuin, waarvan het renaissancekarakter haar filosofisch stemt. Zij vraagt zich af: ‘leven wij waar we willen, praten/ wij tegen elkaar in keukens, wassen wij/ kruiden tegen straks als tijd ons toekomt/ (als getrokken glas)?’ Het gedicht vervolgt:

we lezen lokale zonnetijd
we leunen tegen de zonnepoort
we slenteren langs rozen
naar het eeuwenoud nu
dat vorm is, een diertje
dan weer een mooie vrouw
met haar wang aan het hart van een slapende man

een schaduw wijst van de andere kant:

zorg dat je wat van jou is niet kwijt

raak! de tuin is leeg
tenzij je er een Nietzsche in denkt

God is afwezig, maar als je dit levensbesef het van hem overneemt, is dat geen slechte ruil.
Werkplaats (nieuwsgierig naar plekken was er veel te zien)‘ ten slotte biedt vijf gedichten naar aanleiding van verschillende kunstwerken. Leusink toont erin krachtig en indringend een visuele wereld te kunnen oproepen, al stel je je bij deze poëzie altijd wel de vraag of het gedicht los van beeld of schilderij bestaansrecht heeft. Zo’n passage in ieder geval wel: ‘Als je heel erg je best doet kunnen je zenuwen/ om het ogenblik heen groeien zo heb ik het kijken/ geleerd zo schraagt zich het sterfelijke’ (‘Wij drinken op het dak van Toscaanse smidse IV’, naar aanleiding van een schilderij van Edwin Aafjes).

Is er op deze bundel niets aan te merken? Enige punt van kritiek zou kunnen zijn dat de versvorm wat onrustig is. Leusink is zuinig met komma’s en punten plaatst ze niet. Tientallen keren zet ze iets cursief, veel staat ook tussen haakjes, ze strooit tamelijk overvloedig met vraag- en uitroeptekens, haar enjambementen zijn vaak gewaagd. Je kunt er een sterke neiging tot emfase uit afleiden, maar dan wel voortdurend getemperd door een even sterke behoefte aan relativering. Wat aanvankelijk soms geforceerd lijkt, blijkt altijd een mooi evenwicht voorbereid te hebben.
Er mag dan zogenaamd weinig aan de lente zijn veranderd, het poëzielandschap ziet er met deze bundel beslist wel anders uit: rijker, weidser en beslist met meer diepte. Om met graagte in te verdwalen.

*****
Jane Leusink (Velp, 1949) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de UvA, enkele jaren kunstgeschiedenis aan de RUG en is met enkele korte onderbrekingen van 1975 tot 1995 werkzaam geweest aan respectievelijk het Spinozalyceum te Amsterdam en aan de faculteit Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit te Groningen, Emmen en Utrecht. Van 1995 tot 2003 had ze een taaladviesbureau. Leusink woont in Winsum en drijft met een compagnon het ook voor 2010 met een Michelinster gewaardeerde restaurant Het Schathoes Verhildersum in Leens. Voor Mos en gladde paadjes kreeg zij in 2003 de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut van dat jaar. In 2005 verscheen Erato. Beide bundels kwamen uit bij uitg. Mozaïek te Zoetermeer. Zie hier en hier voor interview en gedichten van Leusink.

Geplaatst in Recensies.