Stefaan van den Bremt – Voegwerk

Brooddronken verbeelding

door Marijntje Gerling

Stefaan van den Bremt verstaat de kunst om beeldend, op een haast romantische, proza-achtige manier over het leven te vertellen. Gevoelens van weemoed en herinneringen aan het verleden dringen zich gemakkelijk op. Van den Bremt blijft in zijn pogingen dicht bij huis, zo getuigen de gedichten uit de eerste cyclus: ‘Stadslandschap met voorbijgangers’. Niet voor niets draagt deze afdeling de ondertitel ‘Van linden en kleine luiden.’ Het plantsoen met de eeuwenoude linden vormt de couleur locale in dit eerste deel van de bundel. Spelenderwijs, in gedachten zittend op een bankje, tekent de dichter de passanten, bekenden uit zijn omgeving: de dokter, de geschonden schone, een junk en een Oosterse, wat pubers en hangjongeren, de buschauffeur en ook ‘de ik’ zelf komt om de hoek kijken.
Voegwerk
gaat over doodgewone mensen (soms ook letterlijk met de nadruk op ‘dood’, zoals het personage Durut Arsène uit de tweede selectie gedichten: ‘hij lacht nog, maar groen, onder het gazon’, p.32 ).

In Voegwerk komen diverse soorten mensen met hun eigen levenswijzen aan bod. Daarnaast verschillen de gedichten onderling ook sterk van elkaar en dat is de grote kracht van deze bundel. Voegwerk kent vijf cycli. Behalve ‘Stadslandschap met voorbijgangers’, zijn er ook de afdelingen ‘De bovendrempel’, ‘De wereld, een draaitoneel’, ‘Tussen schuts- en doodsengel’ en ‘Aviarium’. Daarna volgen aantekeningen, die voor de lezer zeer verhelderd werken. Zo schrijft Van den Bremt : ‘In de cyclus ‘Tussen schuts- en doodsengel’ zijn gedichten bijeengebracht waarin geboorte, ouderdom en dood, maar ook de creatieve impuls de dienst uitmaken.’ De gedichten in dit gedeelte zijn inderdaad in hoge mate poëticaal te noemen, de dichter ventileert hierin zijn gedachten over literatuur en zijn schrijverschap. Een voorbeeld:

Papier: het is de drager
van wat heugt, het draagt
de slippen van het goed,
het stempel van het kwaad.

Papier wijst in het wit
wie lezen wil de weg.

(Uit: ‘Papier’, p.52-53)

Maar ook intertekstualiteit speelt een grote rol in Voegwerk. Naast allusies op de Duitse dichter Hölderlin, of de Cubaanse Nicol’as Guill’en worden ook toespelingen gemaakt op Bertold Brechts Mutter Courage und ihre Kinder. De cursieve versregels uit het openings- en slotgedicht van deze cyclus citeren een strofe uit het lied dat Moeder Courage zingt aan het begin en aan het einde van het gelijknamige toneelstuk: ‘Das Frühjahr kommt! Wach auf, du Christ!/ Der Schnee schmilzt weg! Die Toten ruh’n!/ Und was noch nicht gestorben ist/ Das macht sich auf die Socken nun.’ Bij Van den Bremt. staat er:

Het voorjaar komt! Word wakker, mens!
De sneeuw smelt weg. Wie dood is, rust.
En wat nog niet gestorven is

(Uit: ‘Scenografie’, p.36)

En even verderop opnieuw in ‘Open einde’:

En wat nog niet gestorven is
Dat krabbelt nu weer overeind.

(p.44)

Niet alleen tekst en tekst, ook tekst en beeld werken in Voegwerk op elkaar in. De dertig kwartrijnen over onder andere de zwartkopmeeuw, de kramsvogel, de stormleeuwerik uit het toepasselijke slotcyclus ‘Aviarium’ (Latijn voor vogelhuis of volière) zijn geschreven bij een serie schilderijtjes van Solange Abbiati. De bijzondere combinatie van beeld en tekst maakt dat deze laatste afdeling gedichten een soort ‘Gesammtkunstwerk’ is geworden.

De bundel beweegt zich op subtiele wijze op alle terreinen van het leven en ook andere kunstenaars en kunstvormen worden vakkundig en zonder moeite, zo lijkt het althans, aan elkaar gevoegd.
Het woord ‘voegen’ en ‘voegwerk’ komt overigens een aantal keren voor in de bundel en heeft een wisselende betekenis. Let bijvoorbeeld op een hartverscheurend vers als ‘Oude geesten’, dat over niet-Franse, joodse vluchtelingen in een Frans dorpje gedurende de Tweede Wereldoorlog gaat:

Ze heetten Holzer, Bergman, Liebman, of nog anders.
Vreemde vogels aan wie hier een verplichte verblijfplaats
was toegewezen tussen inheemsen als Noubel en Dieulafait,
Lacoste, Vernejoul, Delpuech en Bouyssou. […]
Nog roept elke gevlerkte schim, die als het
schemert,
de barsten in de voegen van dit huis ontglipt, oude geesten op
van uitzwermende gasten.
[…]
Nog blijven de muren waarvan het voegwerk vleugels heeft,
Onwrikbaar overeind.
[…]
Nog blijven de woorden waarvan het voegwerk nog niet
Bestorven is
Ons uitdrijven uit het paradijs –
En geen mantra die het
Vlammend zwaard
Van die hondsdagen kan doven.

(Uit: ‘Oude geesten’, p.24-26)

De joodse vluchtelingen lijken op vogels. Ze zwermen uit, vliegen steeds weer naar nieuwe schuilplaatsen in leegstaande panden en nissen. Maar de muren en het voegwerk zullen de verhalen en geschiedenissen van deze vreemde gasten, hoe vreselijk ook, behouden en onthouden.

Natuurlijk is de dichter zelf als ‘voeger’ op te vatten. Naast het besef dat een dichter zijn werk als een bouwwerk aaneen voegt in de hoop dat het blijft duren en stand houdt, is er ook het besef dat je als dichter afstand (van jezelf) moet nemen om te kunnen dichten en dus te kunnen voegen. Of zoals Stefaan van den Bremt zelf toegeeft: ‘Brooddronken verbeelding wil aan de macht.’ (p.38)
Die macht van de verbeelding is leverancier van een voortreffelijke verscheidenheid aan portretten, zelfportretten en geschiedenissen.

De Vlaming Stefaan van den Bremt (1942) is naast dichter ook werkzaam als essayist. Hij debuteerde onder het pseudoniem Stevi Braem in 1968 met de bundel Sextant. Hij ontving in 1980 de L.P. Boonprijs voor zijn gehele oeuvre. Eerder publiceerde Van den Bremt een aantal bijzondere dichtbundels, waaronder Een vlieg met gouden vleugels (1997) en Met ogen vol vergetelheid (1989).

 

Geplaatst in Recensies.