Jabik Veenbaas, een ziel met aardse contouren

Nog niet zo lang geleden verscheen bij Uitgeverij De Contrabas De zon, het smalle bed, mijn lichaam, de nieuwste, prachtig vormgegeven bundel van Jabik Veenbaas. Sander de Vaan had een e-mailgesprek met deze opmerkelijke dichter over huismussen, lichtblauwe bikini’s, ecce homo en nog veel meer.

Jabik, je noemde je vorige bundel Brieven aan mijn kind een geschenk aan je kind én een geschenk van je kind aan jou. Hoe zou je jouw nieuwste bundel willen omschrijven?
Ik zie De zon, het smalle bed, mijn lichaam als een zeer persoonlijk boek en als een verkenning van de aardse contouren van mijn bestaan. De aarde, de materie, het lichaam: dat zijn de grondtonen van het werk en met die grondtonen wordt op allerlei manieren gevarieerd. De aarde kan bedreigend zijn, bijvoorbeeld in het materialistische, sciëntistische wereldbeeld. Dat aspect komt onder meer naar voren in het openingsgedicht ‘Materialistisch visioen’, waarin een angstvisioen wordt opgeroepen: ‘het hete lood / van de liefde stolde…’ etc. Of in het gedicht ‘Ik schichtig dier’: ‘ik die een hijgen ben / van wilde moleculen…’ De aarde is het tekort, de sterfelijkheid, maar ze vertegenwoordigt ook het vitale, het volle leven, het verlangen, de verwachting, de seksualiteit, de liefde. In het gedicht ‘De zaaier’, geïnspireerd op het gelijknamige schilderij van Van Gogh, treden die aspecten bijvoorbeeld aan de dag: ‘de zaaier die de kleine vogels zaait, de steile / eenzame boom, de schitterschoven / van het graan, de zaaier zaait // de zon hoger en hoger…’ In dat gedicht gaat het in het bijzonder om de vitaliserende kracht van de kunst. In gedichten als ‘Compositie met lichtblauwe bikini’ en ‘Slapend meisje in de trein’ worden lichtere facetten van het mens-zijn aangeroerd.

Je citeert zelf al die mooie verzen uit ‘Ik schichtig dier’: ‘… ik die een hijgen ben / van wilde moleculen een trillen en een schichtig/ dier waar zal ik waar zal ik blijven.’ Hoe moeilijk was het om je twijfels en angsten zo onomwonden op papier te zetten?
Voor mij is de poëzie bij uitstek een manier om aandacht te geven aan de schaduwkanten van het bestaan, juist aan alles wat onder het oppervlak smeult en broeit, dus ook aan je twijfels en angsten. Maar ik zou een gedicht nooit uitsluitend publiceren omdat het uiting geeft aan donkere gevoelens. Ik moet altijd eerst de overtuiging hebben dat er een goed gedicht is ontstaan, dus iets dat voor anderen toegankelijk is en door anderen gewaardeerd kan worden. Het alleen maar tonen van je kwetsbare kant is niet genoeg.

Recensent en collega-dichter Piet Gerbrandy signaleerde al eerder dat je een filosofische achtergrond hebt, maar inmiddels bent uitgegroeid tot een belangrijk dichter. Is de poëzie jouw brug tussen de filosofie en het grote Vraagteken dat ons leven in wezen van het begin tot het einde tekent?
Die suggestie vind ik niet zo gek. Het is natuurlijk niet zo dat de wijsbegeerte twijfels en angsten principieel uit de weg gaat, maar ze wordt vaak toch al snel een dame of heer met overtuigde posities en stellige keuzes. De poëzie is voor mij een goed middel om dat overtuigde en stellige te ondergraven en om te keren, om de modder onder de waterspiegel om te woelen. Er staat trouwens een gedicht met de titel ‘Wijsbegeerte’ in het boek dat ter illustratie kan dienen. In dat gedicht wordt Nietzsche sprekend opgevoerd. Nietzsche had een enorm zelfverzekerde toon, maar op een dag liep hij door Turijn en zag hij dat een paard werd mishandeld. Bij de aanblik daarvan stortte hij volledig in. Het is een beeld dat de blik op die robuuste denker volledig kan doen kantelen. ‘eeuwig zul jij, mijn oud hart / het stomme paard zoeken…’ laat ik Nietzsche zeggen. Met andere woorden: uiteindelijk doemt hier de andere Nietzsche op, de man die bevangen door redeloos verdriet een paard omhelst. En dat zie ik ook als een ecce homo, als een onthulling van de weerloosheid van de mens achter zijn façade.

Een weerloosheid die haast angstig maakt, althans zo ervaart de ruimtevaarder dit in je gelijknamige gedicht. Als deze astronaut ooit terugkomt, zal hij namelijk ‘terugdeinzen / voor de gloed van hun huid, het kindergerucht / dat van hun bloedlippen druipt.’ …
Sinds het begin van de ruimtevaart en in het bijzonder de bemande ruimtevaart kunnen wij ons de ruimte veel beter voor de geest halen. We kunnen in gedachten met de ruimtevaarder meereizen, dat onmetelijke heelal in, waar niets lijkt te leven: ‘… gas, ijzer en zwijgen…’ Wanneer we met de blik van de ruimtevaarder die ‘lang onderweg’ is, naar de aarde kijken, zal dat kleine groen-blauwe puntje in het heelal met al die levensvormen, ons sterker verbazen en ontroeren. De ruimtevaarder is hier eigenlijk een beeld dat me in staat stelt om mijn ontroering en verwondering te uiten over het feit dat er überhaupt zoiets als leven bestaat in dit enorme kille heelal, dit ‘haast niets’.

In diverse gedichten in deze bundel is de dood nadrukkelijk aanwezig. Tegelijkertijd vraag je je in het luchtige ‘Had ik een ziel’ af of er een leven na de dood is, bijvoorbeeld middels een ziel die op een bruine huismus lijkt. Wordt poëzie op zo’n moment ook een middel om de angst voor het einde te bezweren?
Ik gebruik het woord ‘ziel’ inderdaad enige keren in het boek, bijvoorbeeld in het openingsgedicht ‘Materialistisch visioen’ en in het door jou genoemde gedicht over de mus, maar ik gebruik het nergens om te verwijzen naar een leven na de dood. Daar geloof ik ook helemaal niet in. In ‘Materialistisch visioen’ wordt de ziel geïdentificeerd met een ‘dichte stofwolk’. Maar dat gedicht roept, zoals ik al zei, een soort nachtmerrie op, waarin de ziel fungeert als laatste bolwerk van de bedreigde menselijke persoonlijkheid. In het gedicht ‘Had ik een ziel’ wordt het diepste wezen van de mens, van mij, getekend als een klein dier dat zich vol overlevingsdrang en angst voor de dood een paadje bevecht. Mijn ziel is altijd een ziel met aardse contouren.

De Argentijn Jorge Luís Borges schreef ooit de troostrijke verzen: ‘de dood is het leven geleefd / het leven de dood in aantocht’. Zijn er dichters die jou troost bieden?
Het toeval wil dat ik in 2003 voor uitgeverij Contact een boek heb samengesteld met de titel Grote denkers over verdriet en troost. In dat boek heb ik ook een paar dichters binnengesmokkeld: Homerus, Dante en Rilke. Rilke is overigens vertegenwoordigd met een van zijn ‘Brieven aan een jonge dichter’. Ik denk dat het omgaan met dood en verval, en ook het zoeken naar troost een hoofdthema is in iedere cultuur, en ook in de dichtkunst. Ik heb in Grote denkers… poëzie van de grootheden Homerus en Dante aangehaald, maar ik heb zelf in mijn leven bij veel meer dichters troost gezocht en gevonden. Laat ik een paar dichters speciaal noemen: Vasalis en Remco Campert. Vasalis heeft me vaak getroost omdat ze de diepste pijn van het leven benoemt en overleeft, bijvoorbeeld in het gedicht ‘Tijd’. Campert troost me met zijn melancholieke aanvaarding van het leven.

Met welk gedicht uit de bundel wil je je hier aan de lezers van Meander presenteren?
Laat ik dat doen met het gedicht ‘Stervende taal’, naar mijn gevoel een van de sterkste gedichten uit het boek: een meditatie over mijn verhouding tot mijn eerste taal, het Fries, maar ook over de broosheid en vergankelijkheid van de menselijke taal als zodanig. Ik hou van het gedicht omdat het rijk is aan beelden, iets waar ik veel belang aan hecht. En ik heb in dit gedicht naar mijn gevoel op een geheimzinnige manier iets wezenlijks aangeraakt van het al te menselijke fenomeen taal.

Stervende taal

heel vroeger was de taal een huis met fluistergordijnen een
kachel die melkwoordjes prevelde een zang van zorgzame
kieviten van gras dat zich babbelziek neervlijde onder
klappeiende koeien toen de taal nog als brugman sprak hij
werd met hooigeur en wijzang de trap opgedragen hij
sliep al snel

wanneer hoorde hij dat hij de wereld niet was, een haveloze
eerder en een honger?

                                                      zo immers was het ooit begonnen:

boten, lek als mandjes, bevoeren de diepten,
opgedreven krijgers vielen het land in – de taal
was een blinkende helm, bloed op de kling – doodden de
onverstaanbare bewoners

                                                      vochten als wilden, maar raakten
het nooit kwijt:

                                      het vertrokken gezicht van
de vrouw, die haar dode kind wiegde
en schreeuwde, vlakbij het huilen
van wolven, door het vuur
nog op afstand

                                      (ieder huiverde bij dat huilen, en voelde
het jachten in borst en geslacht, voelde

het zwetende leven, voortgekropen
in korsten: schelp en wier, gestrand en
vergaan, een groot en log dier
wierp zich aan land en ademde zwaar)

de hele troep huilde nu: een antwoord,
een angst door allen gedeeld,
als bij toeval eenstemmig, een woord
was het amper

                                      evenmin als nu, in zijn laatste uur, dat van
de oude, roemloos wegkwijnend in een
verpleeghuisbed, stervend als de droom van een
rijk, zoals een spiegelspel van lucht en wolken
op een buiige dag plotseling oplost

                                                      terp en dijk, wat
hadden ze hem gebaat? hij, veeg,
had het gezien: zijn zoon die het zompige land
inliep, niet meer wist hoe de koeien heetten, de vreemde
kreten der vogels niet meer begreep

                                                      en omdat hij de taal kende
als een hunkering, borg hij die weg als
een schaamte, een duister abuis: een dorp,
verdronken in zee, een steen die aanspoelt, een
scherf (stuk van een

etensbord misschien)

Jabik Veenbaas: De zon, het smalle bed, mijn lichaam
Uitgeverij De Contrabas
ISBN: 978 90 79432 15 8

Geplaatst in Interviews.