Klassieker 129: Paul van Ostaijen – Avondgeluiden

door Wim Kleisen

Meander Klassieker 129

Het gedicht ‘Avondgeluiden’ van Paul van Ostaijen is één van zijn (vele) nagelaten gedichten. Wim Kleisen leest het als een droomgedicht, in de traditie van Jan Luyken en P.C. Hooft.

Avondgeluiden

Er moeten witte hoeven achter de zoom staan
van de blauwe velden langs de maan
‘s avonds hoort gij aan de verre steenwegen
paardehoeven
dan hoort gij alles stille waan
van verre maanfonteinen zijpelt plots water
– gij hoort plots het zijpelen
van avondlik water –
de paarden drinken haastig
en hinniken
dan hoort men weer hun draven stalwaarts


Paul van Ostaijen (1896 –1928)

Uit: Verzamelde gedichten (1996 – 11e druk)
Uitgever: Prometheus/Bert Bakker

Om te beginnen 
‘Avondgeluiden’ werd na Paul van Ostaijens dood onder de ‘Nagelaten Gedichten’ gepubliceerd in Vlaamsche Arbeid, dl. 23, 1928, afl. 3/4. Gerrit Borgers vermeldt in zijn verantwoording dat de tekst van het handschrift, “op een blocnotevel van groenachtig linnenpapier met paarse inkt geschreven”, op de achterzijde het gedicht ‘Boerecharleston’ bevat. In de oorspronkelijke versie wijkt de spelling enigszins af van die in de Verzamelde Gedichten: “avond” wordt, ook in de samenstellingen geschreven als “avend” en vers 6 begon oorspronkelijk met een hoofdletter.
In de ‘Nagelaten Gedichten’ staan veel meer bekende gedichten. Wie kent niet ‘Marc groet ‘s morgens de Dingen’, ‘Huldegedicht aan Singer’, ‘Rijke Armoede van de Trekharmonica’, of ‘Alpejagerslied’? Ook de eerder in de Klassiekers besproken gedichten ‘Melopee’ (nr. 9) en ‘Het Dorp’ (nr. 85) vinden we hier.

Stroming
Op het etiketteren met een stroming heb ik het niet zo begrepen. Bij Van Ostaijen vallen heel wat termen: dilettantisme, unanimisme, humanitair expressionisme en organisch expressionisme, om maar iets te noemen. Nu is daar ook weer niets mis mee, want Van Ostaijen heeft een snelle stijlontwikkeling doorgemaakt, zoals we dit ook bij de schilder Malevitsj zien. Maar het is zaak om naar dit gedicht te kijken en ons niet in handboeken te verdiepen, hoe waardevol die ook kunnen zijn.

Het gedicht
Rijm en metrum zijn middelen waarvan Van Ostaijen zich niet bedient. Daar moet je als dichter erg mee uitkijken. In de huidige poëzie zijn er naar mijn smaak teveel dichters die in spreektaal zinnen en flarden daarvan produceren, die, als je ze achter elkaar zou zetten, geen enkele poëtische kracht vertonen. Probeer dat maar eens met dit gedicht:

“Er moeten witte hoeven achter de zoom staan van de blauwe velden langs de maan ’s avonds hoort gij aan de verre steenwegen paardehoeven.”

Uiteraard heb ik ook niet met een slash de scheiding tussen de verzen aangegeven. Wat zien we nu gebeuren? Tussen “staan” en “van de blauwe velden” stop je, zoals bij een enjambement gebruikelijk is, even met hardop lezen. Waarom? Je zou hebben doorgelezen, als er “zoom van de blauwe velden” had gestaan, hoewel je dan bij “langs de maan” toch weer even zou moeten wachten, omdat hier een onverwacht element opduikt. Dan komt “’s avonds” en of je het wilt of niet, je ervaart dit als een nieuw begin. “paardehoeven” zou sterk aan kracht verliezen, als je geen scheiding met het voorgaande zou aanbrengen. Nu wordt alle aandacht hierop gevestigd. Hopelijk is dit voldoende om de poëtische kracht van ‘Avondgeluiden’ te tonen.

Er bestaat in de poëtische literatuur een zekere traditie van gedichten, waarin de droom centraal staat. Bekend zijn bijvoorbeeld ‘Droom is ’t leven’ van Jan Luyken, het Sonnet ‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief’ van P.C. Hooft en ‘XXXIV’ (‘Der menschen hoogste smart is wonderbaar’) van Willem Kloos. ‘Avondgeluiden’ vertoont zelfs overeenkomsten met dit laatste gedicht. Dit droommotief staat centraal in mijn bespreking.

“Er moeten witte hoeven achter de zoom staan.” Zo luidt het eerste vers. Met “moeten” drukt de dichter een veronderstelling uit. Waarom die hoeven wit zouden moeten zijn – het is niet gebruikelijk in het Vlaamse landschap – begrijp je pas bij het woord “maan” in het tweede vers. De dichter associeert dit “witte” met “maan”, vooruitlopend op de plaatsing van dit woord. Dan is er nog het woord “zoom”, waarbij je je afvraagt waarvan die zoom de begrenzing vormt. Het antwoord luidt natuurlijk: “van de blauwe velden”, maar dan is er toch iets aan de hand, want doorgaans zijn velden niet blauw. In het derde vers vinden we de sleutel tot het antwoord op deze vragen: “’s avonds”. Waarom?
De door mij genoemde begrippen zijn niet reëel, maar ontspruiten aan het bewustzijn – eerder nog het onderbewustzijn – van de dichter. Hij is half in slaap gevallen, maar in die sluimering is hij nog wakker genoeg om geluiden uit zijn omgeving op te vangen. Dat verklaart de kleuren wit en blauw, de zoom is ook de grens tussen slaap en wakker zijn. Aan de andere kant van die slaapgrens zijn er de hoeven. Die zijn er ook, als de dichter nog wakker is, dat besef heeft hij, maar de droomgestalte van de hoeven vertoont de kleur wit. Deze kleur, die symbolisch staat voor het pure, het zuivere, voor reinheid, dringt zich aan de halfslapende dichter op tegelijk met de kleur blauw, de kleur van geluk en hartstocht. Die kleuren vind ik terug in ‘Paradise regained’ van Marsman, evenals de fonteinen, zij het daar van licht: “langs blauwe bergen van de morgen”, “zwervende tussen fonteinen van licht” en de laatste strofe:

’het schip van de wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen –
wij gaan terug naar ’t Paradijs’.

Ook dit gedicht vertoont de sfeer van de droom. Terug naar Van Ostaijen.
Het is heel stil op het platteland. Nu niet meer, maar in de tijd van Van Ostaijen wel. In die stilte hoort hij het geluid van paardenhoeven op de steenwegen. Waarom dit laatste woord? In een tijd, waarin veel wegen nog onverhard waren, werd dit woord gebruikt voor verharde wegen. Je moet dan wel denken aan de beruchte kasseien van de wielerwedstrijden, nu nog als aandenken op een paar plaatsen gehandhaafd. Die paarden zijn in de landelijke stilte duidelijk hoorbaar en het geluid dringt door tot de dichter in zijn halfslaap en verbindt zich met de droombeelden.
In vers vijf wordt die verbinding uitgedrukt: “dan hoort gij alles stille waan”, het geluid wordt met de waan tot een eenheid. Er dringt nog een ander geluid tot de dichter door. Welk vertelt hij niet. Het zou het geluid van het water in een al of niet lekkende dakgoot kunnen zijn, het zou even goed het geluid van het stromende bloed achter de trommelvliezen kunnen zijn. In ieder geval ervaart hij dit in zijn droom als sijpelend water en de associatie met de maanfonteinen heeft dan al plaatsgevonden. In dromen kun je je soms in een onmetelijke ruimte bevinden, dit klinkt door in “verre”.
De associatie met het drinken ligt voor de hand, als het over paarden en water gaat. Die lezen we hier dan ook. Zelfs het hinniken van de paarden dringt tot de dichter door, die misschien al enigszins uit zijn slaap ontwaakt. Bij dit ontwaken beseft hij dat de paarden, zo laat nog op pad, huiswaarts gaan, “stalwaarts”.

André Breton (1896-1966) was een tijdgenoot van Van Ostaijen, zij het dat hij wel wat langer leefde. Hij wordt beschouwd als de grondlegger van het surrealisme in de literatuur. Jarenlang heeft hij geëxperimenteerd met wat hij “automatisch schrijven” noemde. Dit hield in dat wat de auteur schrijft, regelrecht uit zijn onderbewustzijn voortkomt, mits hij zijn werkelijkheidsbeleving loslaat. Wanneer gebeurt dit duidelijker dan in de (half)slaap? Vandaar dat Breton ook de hypnotische slaap bij zijn experimenten betrok. Van Ostaijen, die als activist om politieke redenen na WO I enkele jaren in Duitsland verbleef, legde daar contacten met dadaïsten en Bauhauskunstenaars. Breton begon zijn loopbaan als dadaïst en het moet daarom bijna zeker zijn dat Van Ostaijen kennis van zijn latere ideeën moet hebben genomen. Maar ik zie hem er ook voor aan dat hij los daarvan zonder meer een droomervaring in dit gedicht heeft vertolkt. Dan bestaat er toch grote verwantschap met de theorie van Breton. Het gedicht is autonoom, dat wil zeggen dat het los staat van de uiterlijke werkelijkheid en dat intuïtie een grote rol in de conceptie van het gedicht speelt. Vanuit de droom (rêve) wordt een nieuwe beleving aan de dichter geopenbaard, het is een revelatie. In dit gedicht vinden we een beleving, zoals bijvoorbeeld ook in ‘Melopee’ die in taal wordt uitgedrukt zonder dat de ratio wordt gebruikt, het is een intuïtieve benadering.

____

Wim Kleisen

 

Geplaatst in Klassiekers.