Gedichten

Arme stilte

geluid tekent haar
schetst haar zo zij zich
uit haar rust getild voelt

en wij zeggen sorry
meer dan sorry

want wij waren het
wij gooiden de ramen en deuren
van de taal open en trillen nu na
in onze sponningen

sorry weer

we zetten haar terug in haar schoenen
wrijven haar de enkels
strelen haar het hoofd
geven klopjes op de rug van haar hand
met de goedheid van schuld

en zij zegt amen

zo gebedziek is ze
dat we haar het toonbeeld
noemen van geloof

of van geduld
of van aanvaarden

en we roemen haar landing
haar geruisloze landing
waarin enkel het piepen
van iets piepends nog klinkt

Alles heeft een eigen tijd

Een kevertje:
verdrinken kan het niet –
zwemmen ook niet.

© Ad Beenackers

het kevertje in het gedicht
de schrijver
wachtend op een juiste inval
te noteren wat hij ziet
en ik die hem en het kevertje
aan mezelf koppel
in een handschrift dat van een arts
zou kunnen zijn

wij zijn geduldig

***
artsen schrijven onduidelijk
zegt een vriendin
terwijl ze in haar koffie roert
en naar buiten staart

zij wacht weet ik
op een ochtend die alles
voor haar oplost

***
buiten strijdt een plant
voor wat licht, een slokje
van het water dat ik drink

***
is een schrijvertje een kever
vraag ik aan een man die zo lang is
dat hij zich naar me toe moet buigen
om me te verstaan
ik kan zijn aarzeling voelen
misschien denkt hij
waarom werd ik zo lang
terwijl zij zo klein bleef
of hij opent zijn innerlijke encyclopedie
om het antwoord op te zoeken onder keversoorten

het is goed
om meer over het schrijvertje
te willen weten
het houdt gedachten in het gareel
en het schept een band

***
de hele evolutieleer komt op tafel

veel weet ik er niet van
ik loop de avonden uit en in
verstoor de nachten
alle dagen
altijd met mijn adem
hoe klein ook ik me maak

het prooidier dat ik ben
ik herken het aan de stemmen
van de stilte

***
alles is tegen de tijd

ik besef dat de tijd een vechter moet zijn
geen Goliath
geen Atlas
geen Prometheus
maar een vrouw

een vrouw met het vermogen
zeven vragen aan het licht te brengen
zonder de kracht
van haar daden te meten
tilt zij haar rokken op
nadat zij eerder al overeind ging lopen
en haar haren liet knippen
opdat zij er niet meer aan kan worden
meegesleurd door een man

ze schrijft zich in voor een
handleiding van bestaan
verricht een klein wonder
voor haar kind
stapt in haar auto

ze leert zichzelf
bemind te weten

het is niet onmogelijk
dat men haar al heel lang kent
maar over haar schouders heen
naar de mysteries van een leven zoekt
puur omdat men haar zo doodgewoon
zo vanzelfsprekend vindt

***
we zijn geduldig
we moeten geduldig zijn
alles heeft een eigen tijd


Stationair

zijn werkplaats bestaat uit ronkende motoren
uitlaatgassen en smeerkuilen mijn armen zijn die
van een vliegtuig ze zijn stuk hij moet ze maken
ik ben een garage melden mij zijn ogen een garage
waarin ze je vader hebben verstopt ik ruik naar
dieselolie en benzine als ik thuiskom omdat jij
boterhammen eet met chocoladepasta en nog
groeien moet je bent geen vliegtuig je bent een kleine
auto je techniek is er een waarvoor ik nog studeren moet

gehurkt bij een wiel kijk ik toe hoe zijn benen
onder de wagen uitsteken ik geef hem een bahco aan
en praat over de verdeelkap en bougies – hoor eens papa
hoeveel ik weet – en even komt zijn hoofd tevoorschijn

’s avonds wacht ik hem op hij stuurt behendig op me aan
we praten over de brug waaronder ik mee mocht kijken naar
de chassis van zijn leven hem de sleutels aan mocht reiken

dit is mijn vader te lang was hij de blauwe overall de glimlach
van het gedienstige ik ken hem ook als de man die mij
op de achterbank van zijn leven gepoot mee liet zweven
zo moet je slippen dochter zo pompend remmen tegensturen
en dit is hij ook hij slaapt en ik durf hem niet aan te raken

Geplaatst in Gedichten.