Mark Boog – Er moet sprake zijn van een misverstand

Het kind, verbeten, verdedigt zich

door Bouke Vlierhuis

Er moet sprake zijn van een misverstand heet de nieuwe bundel van Mark Boog. Het deed mij het eerst denken aan wat mensen in een film roepen als ze gearresteerd worden: ‘het is allemaal een groot misverstand. Jullie moeten iemand anders hebben.’ Maar het is nooit een misverstand. En bij Boog is dat niet anders. Dat wordt al geïllustreerd door het kunstwerk van Lucio Fontana dat het voorplat van de bundel siert. In een gifgroen doek zijn drie sneden gemaakt. Doelbewust en met een scherp voorwerp, zoals Boog in zijn gedichten zijn onderwerpen fileert. Maar met agressie ook, met woede. En daarvan zit best veel in deze bundel. Meer dan in Boogs vorige volledige bundel De encyclopedie van de grote woorden en in de gedichtendagcyclus Alle dagen zijn van liefde.
Frustratie, berusting, afstandelijke ironie en spot, dingen die we kennen van Boog, zitten ook in deze bundel maar de verbetenheid is nieuw:

Het kind verbeten verdedigt

Het kind verbeten verdedigt zijn onschuld,
wapent zich, schulpt.
Treitert vastberaden omringend vee,
blikt schichtig rond, heft hoog de smalle kin.

Het kind verbeten verdedigt zich.
Het kind verbeten leeft.
Mocht iemand ooit – en velen voortdurend,
veel altijd – dan is gerekend buiten het kind.

Het omgaan van zon en maan en sterren,
wind en wolk en lichtval allerhande,
de slinkse aanvallen van tijd en lot, gewoonte:
het kind verbeten pareert. Het kind verbeten speelt.

De zinloosheid van zo’n beetje alles. Het is altijd al een belangrijk thema geweest bij Boog. Maar iemand die overtuigd is van de zinloosheid van alles schrijft geen half dozijn dichtbundels vol. Het dichten alleen al is immers een daad van verzet tegen de Leegte. Die verzetsstrijd wordt in dit gedicht heel helder weergegeven. Er wordt een kind opgevoerd dat, tegen de klippen op, kind wil zijn, wil spelen, wil leven. De paradox – er is bij Boog altijd een paradox, een omkering – is dat de strijd ter verdediging van de onschuld een grimmige is en dat de onschuld dus per definitie aan de verliezende hand is. Interessant is het om in dit gedicht in plaats van ‘kind’ ‘dichter’ te lezen en in plaats van ‘speelt’ ‘schrijft’.

Over de opbouw van Er moet sprake zijn van een misverstand, in twee ongelijke delen, aangeduid met Romeinse cijfers, zegt Boog in een toelichting achterin dat ‘over de volgorde in afdeling I is nagedacht’ en dat de gedichten in afdeling II in ‘strikt chronologische volgorde’ staan en ‘onvermijdelijk zoiets als een reeks’ vormen.
Dat een chronologische ordening niet zo veel zegt over de inhoudelijke samenhang van een groep gedichten blijkt duidelijk uit afdeling II. Want, hoewel het overkoepelend thema de geboorte, gekoppeld aan zijn tegenhanger, de dood, lijkt te zijn, vertelt de reeks voor zover ik kan zien geen samenhangend verhaal.

Dat over de volgorde in afdeling I ‘is nagedacht’ is wel duidelijk. De gedichten zijn op thema gegroepeerd. Na een begin bij God en religie duikt op een gegeven moment een ‘jij’ op in de gedichten en gaat het over de liefde. Dan komt het schrijven aan bod en vervolgens het verlies van een dierbare. Dan is het de beurt aan het ouder worden, het aftakelen van het lichaam en het terugdenken aan vroeger. De afdeling eindigt weer met God, maar nu in een vaderrol. Dat sluit goed aan op het geboortethema van afdeling II.
Dit alles is bijzonder grof samengevat want Boog behandelt vaak in een gedicht meerdere van deze hoofdthema’s en het religieuze motief zit door de hele afdeling heen geweven. Ook zijn er zeer cryptische, moeilijk te duiden gedichten bij.

Al met al is alles aanwezig dat de poëzie van Mark Boog zo geweldig maakt. De ironie die we van hem kennen komt ons al in de eerste regel van de bundel tegemoet: ‘Mij, schaap, overkomt niets dan wat de herder wil, / wat het gras wil, de lucht’. Verder zijn er altijd omkeringen en kegelconstructies waarbij het eind van het gedicht het begin tegenspreekt:

Verklaring

Men, zich bij zinnen zeggend,
verklaart te weten. Niets weerlegt
dit groot vertrouwen, dit ontzag-,

dit zelfs opwekkend, mee met draad
en draaiing, dit voortaan zich schikken.
Men werkt naarstig aan zijn biografie,

de handen ten hemel – de wind,
het blad, het onverstoorbaar jagen.
Zo bezweert men leegte der gedachten,

zeggend: de klad zit in het oogstseizoen,
de gaarden dragen onvoldoende vrucht
en zeker stijgt de druk op de verbanden.

Eerst is er een rotsvast vertrouwen in het weten en het verklaren maar helaas: de gaarden van het rationele dragen onvoldoende vrucht en de verbanden die we dachten te zien komen onder druk te staan.
Lees dit gedicht trouwens vooral ook eens hardop en hoor hoe perfect muzikaal het is. Boog maakt heerlijk melodieuze, lied-achtige gedichten zonder dat hij daar allerlei zware stijltrucs voor nodig heeft. De alliteraties (zinnen zeggend, draad en draaiing) zijn subtiel en het spel met de a-klanken is niet opzichtig maar geeft het gedicht toch samenhang.

Boog weet in deze bundel zijn vaste thematiek toch weer op een andere manier, met een andere toon, te verwoorden en hij voegt er ook weer elementen aan toe. Hij is een dichter met een zeer herkenbare stijl die zich desondanks weet te vernieuwen. Waar De encyclopedie van de grote woorden echter het voordeel had van een strikte structuur is Er moet sprake zijn van een misverstand losser van opzet. De gedichten zijn ook wat ontoegankelijker waardoor de verbanden die er zijn misschien ook niet altijd helemaal uit de verf komen. De gedichten staan hierdoor meer op zichzelf. Dat is voor sterke gedichten goed, maar zwakkere gedichten vallen ook eerder uit de toon. Zo kun je in deze bundel wel een paar gedichten aanwijzen die ofwel wat dramatisch van toon zijn, ofwel qua beeldspraak tegen het clichématige aan zitten, ofwel thematisch echt te vaag zijn.

Maar het leeuwendeel van deze collectie van een kleine tachtig gedichten laat een Mark Boog zien die zich ontwikkeld heeft, die zich blijft ontwikkelen en die dus nog lang een van de meest interessante dichters van ons taalgebied zal blijven.

Geplaatst in Recensies.