Klassieker 131: Jane Leusink – Geen spaak

door Lambert Wierenga

Meander Klassieker 131

Herinneringen aan vroeger, wat zijn dat eigenlijk? In het gedicht ‘Geen spaak’ van Jane Leusink dat Lambert Wierenga hier analyseert, onderneemt de dichter een intieme poging om de verwondering over het geheim van de ‘kleine maar kostbare herinnering’ te onderzoeken.

Geen spaak

Dat we ooit konden weten hoe het echt was, vroeger
toen we nog kinderen waren en achter op de fiets
bij onze vader zaten, benen uitgespreid in veiligheid
van rafelige tassen, geen spaak die ons wat deed.

Dat we ooit in onze herinnering opnieuw geboren
werden, met onze handen stevig aan zijn ruige stof
de geur van koppelriem en leger snuivend, midden
in geborgenheid aanwezig waren.

Of voorop in het met rode stof beklede stoeltje zaten,
steentjes tuurden in de groeven van zijn band, een muur
van vader onze achterkant. O, dat hij dan: hé voorzichtig,
val niet op – wat was het woord? – je smoeltje.

Jane Leusink (1949)

Uit: Mos en gladde paadjes, Mozaïek, Zoetermeer 2003

Herinneringen aan vroeger, wat zijn dat eigenlijk? Is wat – bij gebrek aan een beter woord – ‘het geheugen’ wordt genoemd een soort zintuig? Een gevoel? Een gedachte? Een fantasie? Een stil heimwee? Een vergeten ideaal? Meestal kom je daar niet achter. Herinneringen zijn met je hele wezen verweven, met de persoon die je geworden bent: verbonden aan verstand, gevoel, beleving.

Soms zijn ze sterk verankerd in je lichaam. Vooral in je zintuigen. Of, om het anders te zeggen: je zintuigen zijn vaak de ankerplaats van je herinneringen. Je reuk, je ogen, je oren, je huid, je smaak. Een stem die je bijblijft. Een geur of een smaak die een situatie van vroeger weer kan oproepen.

De dingen waar je van houdt, worden geleidelijk de dragers van herinneringen. Ze geven je – de positieve tenminste – als het ware een besef van veiligheid, van ervaringen met geluk. De herinneringen van kinderen aan hun ouders: die zijn vrijwel allemaal binnengekomen via de zintuigen. En via wat die zintuigen hebben opgezogen en opgeslagen, kun je later je jeugd, je verleden, je persoonlijke geschiedenis zomaar weer oproepen!

In het gedicht dat hier geanalyseerd wordt, is de dichteres daar verbaasd over. Vanuit die verbazing probeert ze haar geheugen te activeren om geluksmomenten van vroeger weer op te roepen in haar heden. Niet slaafs dus, maar actief en zoekend: anders dan een schrijver, Arnon Grunberg die, in “Tirza”, zegt: “Je bent een slaaf van je herinneringen.”

Juist van zo’n actieve én vertederde reconstructie probeert de dichteres hier een demonstratie te geven. Ze onderneemt een intieme poging om de verwondering over het geheim van de ‘kleine maar kostbare herinnering’ te onderzoeken. Die verwondering blijkt uit een paar sprekende vormelementen die het gedicht karakteristiek maken. Ze zijn vooral taalkundig en stilistisch van karakter. Steeds meer blijkt het eigenlijk een probeersel te zijn om een verbazingwekkend verschijnsel te begrijpen: ‘Hoe kon het toch dat …!’ Dat is de vraag waarop de dichteres een antwoord zoekt. Daarbij gebruikt ze een keur aan middelen en vormen die ze in de – gewone en dichterlijke – taal vindt of soms zelf bedenkt. Of ze nog meer ontdekt dan de herkomst van die verwondering, ook die vraag komt op!

Technieken van verbazing en van herinnering
Technisch zit het gedicht vernuftig in elkaar! De drie strofen van elk vier regels zijn hecht gebouwd. Ze bevatten talrijke concrete details die geselecteerd zijn om het verleden op te roepen, dadelijk al aan het begin. Het woord “Vroeger” (regel 1) is het sleutelwoord dat – geplaatst aan het einde van de versregel waar het een vertragend enjambement vormt – alle aandacht krijgt. Door die uitvoerige evocatie van de kindertijd valt het niet dadelijk op dat geen enkele zin in het hele gedicht formeel compleet is! De dichteres gunt zich als het ware geen rust of tijd om de zinnen correct af te maken. Haar verwondering wint het!

•   De talige structuur van de verbazing
Het gedicht bestaat qua syntactische constructie exclusief uit een aantal verbaasde ‘uitroepen’. Al deze uitroepen zijn incompleet: telkens zal de lezer een element moeten ‘invullen’.

Het duidelijkst is dat het geval in regel 11: de zin begint daar met “O, dat hij dan: …”. op z’n minst had er nog een werkwoordsvorm moeten komen. Dan had deze zin kunnen luiden: ‘(O dat hij dan) zei: …’. Maar dat ‘zei …’ ontbreekt. Voor een lezer is het makkelijk aan te vullen. Is dat nodig voor een adequate lectuur? Nee, je mist het niet eens.

Dat type incomplete zinnen is typerend voor dit gedicht. Ook al vult de dichteres in veel van die andere uitroepen wél het werkwoord in. Regel 1: “Dat we ooit konden weten …”, regel 5: “Dat we ooit (…) geboren werden…”.
Nog meer variaties kent deze elliptische techniek van de verbazing. In regel 9 betreft die het voegwoord ‘dat’. Maar de lezer is intussen voldoende geconditioneerd of geïnstrueerd om ook daar de exclamatietechniek te herkennen en het weggelaten woord in te vullen: ‘(Of) dat (we ooit voorop …)’: dat ‘aan te vullen’ materiaal zal hij op basis van analogie kunnen ontlenen aan de startuitroep in de tweede strofe!

Nog een variant. Regel 4b is op zichzelf een uitroep: “geen spaak die ons wat deed”. Enerzijds is deze zin verdekt opgesteld door z’n inpassing in het systeem van de ellips: geen hoofdletter aan het begin, geen werkwoord in de hoofdzin, geen uitroepteken. Het is daardoor een ongebruikelijke zin. Die is bovendien een listige variant op een andere uitroep van bravoure die wél in het Nederlands bestaat, zoals in een zin als: ‘Wie doet me wat!’ of ‘Geen mens die me wat doet!’

Daarnaast is het ook een variant op de staande uitdrukking: ‘Een spaak in het wiel steken’ die altijd de suggestie bevat van een obstakel, van een dreigend gevaar. Dat idiomatische element ‘risico’ wordt hier dus via deze contaminatie met vrolijk optimisme weggewuifd. Dat maakt deel uit van de herinnering aan de reële situatie van het ‘rijden bij vader achterop’. Pas veel later – in de volwassenheid – speelt het besef een rol dat je – als kind – je voet pijnlijk tussen de spaken kon krijgen! Destijds speelde die angst voor een voet tussen de spaken niet: “benen uitgespreid in veiligheid / van rafelige tassen” (regel 3/4). Wie doet je wat! “Geen spaak doet je wat!”

Een uitroep die niet de verbazing van de nu opgegroeide kinderen uitdrukt, maar een fijnzinnige herinnering aan een zorgzame waarschuwing van de vader, staat in regel 11-12: “hé voorzichtig, val niet op (…) je smoeltje”. Deze waarschuwing is qua perspectief dus van een ander type dan de andere: niet vanuit de belevingswereld van de kinderen; het is veeleer de – aanvankelijk vage – herinnering aan een waarschuwing destijds van de vader. Maar wél, helemaal binnen de systematiek van het gedicht, een qua syntaxis erg complexe uitroep.

Het ‘kind’-perspectief verdwijnt niet voorgoed uit de aandacht: de dichteres haalt het weer naar voren door een soort gat in het geheugen te suggereren: “– wat was het woord? –” (regel 12). De kinderen die toén dat ‘woord’ hoorden, lijken het nu – volwassen geworden – even kwijt te zijn. Maar ze vinden het toch terug. Die zoekpauze krijgt extra reliëf door een efficiënte typografische ingreep: twee liggende streepjes.

De dichteres plaatst daarna dat ‘teruggevonden’ liefkozende woord aan het eind van het gedicht: “je smoeltje” (regel 12). Een extra geraffineerde truc omdat dit qua stijlregister onverwachte woord bijna ook nog een rijm – een soort ‘binnenrijm’ – vormt met het woord “stoeltje” in regel 9.

•   De talige structuur van de herinnering
De poging tot reconstructie van hoe het vroeger was, krijgt de vorm van een speurtocht naar veilige ervaringen uit het verleden. Een evocatief proces. Veel details, gebeurtenissen en voorwerpen worden uit dat verleden – het verleden van kinderen – als losse stukjes uit het geheugen opgediept en in een compact beeld bij elkaar gezet. Het gedicht zit vol van die concrete dingwoorden. “Fiets”, “rafelige tassen”, “spaak”, “ruige stof”, “koppelriem”, “rode stof”, “stoeltje”, “steentjes”, “de groeven van zijn band”, “een muur”. Het lijkt soms wel de beschrijving van een schilderij dat je verrast herkent en opnieuw beleeft: ‘Kijk eens …!’, ‘Moet je dit eens zien …!’, ‘Hoe kon dat eigenlijk?’ en ‘Weet je dat ook nog …?’ Kennelijk wordt “vroeger” gedragen en vastgehouden door al die concrete dingen. Opgediept uit het ‘fysieke’ geheugen. De zintuigen – kijken, luisteren, ruiken, proeven en voelen – maken alles weer “echt” (regel 1).

Langzamerhand bouwt zich daaruit een ‘veiligheid’-isotopie op. Het gedicht gaat over herinneringen vol vertrouwelijkheid: de “we” zitten bij hun vader achterop de fiets, veilig en gelukkig. Het is een bijna fysieke belevenis, dat terughalen van die emotionele ervaring!

Daarbij speelt zeker een rol dat het berust op een langdurige of herhaalde ervaring: soms zat het ene meisje achterop (strofe 2), het andere soms voorop (strofe 3). Op een stuurstoeltje. Je krijgt geleidelijk de indruk dat ze – achterop of voorop – vaak met hun vader de fietstochtjes maakten. Die fysieke kant van het gevoelsgeheugen wordt al even sterk benadrukt: “benen”, “onze handen”, “je smoeltje”.

Ook de vader wordt met inventieve liefde verbeeld: “Onze vader”, “zijn ruige stof”, “zijn band”; “een muur van vader”, “dat hij dan …”. Dat verinnerlijkte beeld blijft voor z’n dochters een symbool van “geborgenheid” (regel 8), van bescherming (“voorzichtig”; regel 11). Op die fietstochten voelden ze zich veilig met “een muur van vader” (regel 10-11) achter zich!

Syntactische onvolledigheid en weelde aan betekenis
In die fysieke associaties wordt het gedicht tot een evocatie van geborgenheid en bescherming. Vandaar de intieme details, waarin “onze vader” z’n dochtertjes als “een muur” beschermde en ze waarschuwde tegen pijn. Het woord “smoeltje” is, zoals veel kooswoorden, tegelijk een oorspronkelijk grof woord (smoel) en – wat het grove of vulgaire weer méér dan compenseert – een verkleinwoord (~tje). Vertrouwelijkheid en liefde spreken daaruit. Dat het bovendien het laatste woord van het gedicht is, en dat het dezelfde klank herhaalt als “stoeltje” maakt het tot een bijzonder treffend slot. Dan zijn het eindelijk niet meer de dingen, maar de persoon van de beschermende en zorgzame vader wiens beeld het centrum vormt van dit gedicht.

Niets is formeel of syntactisch voltooid in dit gedicht. Maar niemand die het merkt! De grammaticale onvolledigheid van de zinnen compenseert de dichteres als het ware door een overdaad aan zintuiglijke details. Op die manier ondersteunt ze de thematiek van de kinderlijke verbazing die geen aandacht geeft aan die formele kant. De herinnering aan vroeger, een gelukkige, veilige jeugd wordt via allerlei kleine stukjes taal en syntaxis hecht opgebouwd. Een gevoelsmatig retrospectief! De fysieke herinnering laat die jeugd “opnieuw geboren” (regel 5) worden. “Vroeger” wordt via die tastbare herinnering weer actueel en reëel: “echt” (regel 1). En dus voorgoed voelbaar – fysiek en emotioneel – aanwezig.

Geplaatst in Klassiekers.