Gedichten

Het verplaatste nest

1. Boze warmte

De meidoorn staat te leven aan
het pad, dat in de bloemen stuift
en op de bladeren gaat liggen.
Je loopt naar huis. De mussen schieten
uit het groen. Je moeder roept je
voor het eten. 
                               ’s Ochtends, bij regen,
blaffen de honden naar de heg.
Je hurkt, duwt takken met je mouw
opzij. Je had haar niet gemist,
de hen met spikkels die een nest
gebouwd heeft aan het pad, begraven
in takken, stekels, bladgroen, wit.

De krassen in je huid wanneer
je in de diepte reikt. Het blaffen.
Lichtrode druppels – bloed en water –
die langs de veren rollen en
het dier dat niet vlucht. Dan: je breekt
de warmte open van de buik
en vleugels door haar op te tillen,
de broedster. Schorre keelgeluiden,
melkwitte eieren. 
                                      Je broer,
in regencape, fietst al naar school.
De honden rennen hem vooruit:
ze ruiken jacht, lijkt het, al is
het voorjaar nog maar net begonnen.

De boze warmte in je handen,
je loopt met haar het grasland door,
het hok in, waar de hennen broeden
aan de wand. Daarna het nest,
met lauwe eieren en al:
je legt het in een hoek, vlak bij
de graanzuil en de watergoot.

De hen met spikkels blijft paniek
of andere benauwenis
rondtokken, maar je kunt nu niets
meer voor haar doen. Een nevel hangt
als nat stof om je heen wanneer
je buiten komt. Je moet naar school,
van China leren, en de zee.

2. Op tafel

En thuis het hok, de rode pannen
die druppels laten vallen in
het gras. De perenbomen met
hun junivruchten en de heg
waarin de mussen driftig leven.
Het grijze water in de lucht.
Je vader die het land oploopt
en nadenkt over onkruidgif
terwijl de honden speurend langs
de bosrand gaan. 
                                    Je moeder roept je
voor het eten als je ’s middags,
fiets tegen de meidoorn, in
het hok bent, waar je veren raapt
om bij de eieren te leggen.
De kou zit in het nest, de hen
met spikkels loopt te wachten, denk je.

Vanavond trekt de regen naar
het oosten weg, slingert je broer
walnoottakken voor de honden,
dampt het gras, haalt hij zich open
wanneer hij distels neerslaat bij
het pad.
                Vanochtend was je moeder
om vijf uur aan het werk: ze raapte
eieren, ververste water,
vulde graan bij uit een emmer.
Er was geen haan, er brak op tafel
geen kuiken uit een witte schaal.

Iets moois voor films

De hennen zaten ’s ochtends nog
bijeengekropen aan de wand,
er lag een sneeuw van bruine veren.
Hij zag de rattenpoot waarop
de klem was dichtgeslagen, ’s nachts,
achter een scherm van kippengaas.
Het dier dat zich had losgevreten.

De buurman luistert, roert zijn koffie,
stoot sigaretten uit een pakje.
De lucifers, de rook, het lachen.

Hij trok de kaken los, viste
de rattenpoot uit mest en zaagsel
en wierp hem buiten van zich af,
een boemerang van vlees en bloed,
verdwenen in een struik maar door
de grote hond teruggehaald.
Het was om zes uur in de morgen.

Ze drinken bier – de flessen sissen –
en eten peperkoek met boter.

De rat zou doodgebloed zijn, dacht hij,
of anders hompelde ze nu,
iets moois voor films op televisie.
De poot lag aan zijn voeten in
het gras en werd hem nagedragen
tot bij de schuifdeur, waar de hond
ging liggen en de botjes kraakte.

De asbak met de peuken, smeulend,
de oliekachel hoog, en hoger,
de borden erwtensoep, het spek.
Naar buiten, staan tegen het huis,
dat koud is aan je rug.

Uit Zijn overhemden op jouw huid, uitgeverij Nieuw Amsterdam

Geplaatst in Gedichten.