Gedichten

Lotgenoten

Een knikker ligt op straat, ik buk, het is
zo’n grote, tientallen gewoontjes had ik
er vroeger voor over om zo’n knikker op
mijn handpalm rond te mogen laten rollen

Een zwarte man loopt naar de tram, sportschoenen
een beige pantalon, een overhemd
een pet van gangsterrapper 50 Cent
en op die pet twee plastic duivelhoorntjes
en in zijn hand een plastic drietand om
in zondig vlees te prikken, de tram
rijdt voor zijn neus de straat uit, hij heeft
geen weet van wat hij heeft gemist, de vork
hangt langs zijn lijf, nog even en de tanden
boren zich in het gebarsten asfalt

Hoe lang kan iemand zo verloren blijven
tot iemand hem de hand reikt, in de mijne
rust nog die knikker, onwillekeurig breng ik
hem naar mijn mond, ik proef de smaak van glas
ik voel de vorm van groot en hard en rond

Een jongen drukt een iPod tegen de borst
probeert vergeefs Borsato’s stem te smoren
hij kijkt niet naar de vrouw die hem bedremmeld
voorbij laat gaan als zij, een zware tas
in elke hand, net de Hema in wil lopen
niet naar de man die worstelt met zijn fietsslot
niet naar de lieden in oranje hesjes
voorbodes van een opgebroken weg

En niet naar mij, de knikker rolt weer van
mijn lippen, ploft weer op mijn handpalm, kijk
ik ben een kip, leg in mijn hand een ei
ik ben een vis, neem afscheid van een luchtbel
en om mij heen, zover het oog reikt, kinderen
die snakken naar wat adem

In het huis van je vader

De kat die toe mag kijken als we vrijen
die Tom heet, net als vroeger, de paraplu
die niet de paraplu is waarmee jij
onder de douche het vieze weer naspeelde
de handen die je niet meer bij je middel
vastpakken om je van de grond te tillen
eenzame voetsporen op het plafond

Keitjes om mee te keilen

De beste keitjes
vind je in Frankrijk

hij had er een stel
mee terug genomen, maar

het Nederlands water
keilt lang niet zo lekker

ze liggen bij haar
nu onder de koelkast

en niemand die nog
naar ze om durft te kijken

Uit: Stil alarm, 2009, Nieuw Amsterdam

Geplaatst in Gedichten.