'Als ik mensen maar weet te raken'

Krijn Peter Hesselink was nationaal kampioen Poetry Slam in 2006. Hij publiceerde onder meer in Hollands Maandblad, Tzum en NRC.next en gaf optredens op festivals als Crossing Border, het Tuinfeest en Lowlands. In maart 2008 ontving hij de Hollands Maandblad Schrijversbeurs en verscheen zijn debuutbundel Als geen ander bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. Eind 2009 verscheen zijn tweede bundel Stil alarm.

Waarin verschilt Stil alarm van Als geen ander?
Tijdens het schrijven van de gedichten voor Als geen ander was ik voortdurend op zoek naar oorspronkelijke beelden. Had ik zo’n beeld gevonden, dan probeerde ik dat elegant af te wikkelen en klaar was Kees. Voor Stil alarm heb ik geprobeerd het dichter bij mezelf te houden. De bundel is ingetogener, warmer, persoonlijker.

Hoe ben je dichter geworden?
Toen ik een jaar of zestien, zeventien was, ontdekte ik de literatuur. Vasalis was de eerste dichter die me wist te raken. Kort daarna kwam het echte werk: Lucebert, Kouwenaar, Van Ostaijen. In die tijd begon ik ook zelf te dichten, in quasi-diepzinnige orakeltaal. Het spul moet nog altijd ergens bij mijn ouders in een doos liggen. Het is me te dierbaar om het te vernietigen. Maar als ik wist dat ik binnenkort zou komen te overlijden, zou ik het toch door de papierversnipperaar halen. Ik moet er niet aan denken dat het postuum gepubliceerd wordt.
Zo ben ik blijven ploeteren. Toen ik mij in de lente van 2006 plaatste voor het nationale kampioenschap poetry slam, had ik mijn toon nog niet gevonden. Ik schreef gedichten als ‘De knokploeg’, waarvan op www.krijnpeter.nl nog een geluidsopname te horen is. Lange ritmische gedichten, volgeplempt met beelden. Effectief op het podium, maar hopeloos over the top. In augustus van dat jaar werd ik gevraagd voor een science slam. Vier poetryslammers mochten het met eigen werk opnemen tegen vier hooggeleerde heren en dames die mochten putten uit de wereldliteratuur. Wij hadden als extra opdracht een gedicht te schrijven over een object uit het depot van het Utrechtse Universiteitsmuseum. Dat werd in mijn geval het gedicht ‘Een brief aan het object li 158 uit het depot van het Utrechtse Universiteitsmuseum’, opgenomen in mijn debuutbundel. De toon en inhoud van het gedicht was veel aardser en reëler. Zo ben ik toen verder gegaan. Ik had net op tijd mijn stijl gevonden voor het NK Slam in oktober dat jaar.

Je hebt in je jeugd veel op het toneel gestaan. Sta je daarom als podiumdichter te boek?
Net als mijn broer, Sieger Baljon, heb ik in mijn tienerjaren fanatiek toneel gespeeld bij de Vooropleiding Theater Groningen. Daar heb ik veel van geleerd. Niet alleen heb ik er een gevoel voor tekstbehandeling en podiumpresentatie aan overgehouden, er heerste ook een andere sfeer dan bij mij thuis en op school – ik zat op het gymnasium. Het was er minder intellectueel en verstandelijk en meer op emotie en intuïtie gericht. Als podiumdichter heb ik daar ongetwijfeld mijn voordeel mee gedaan.

Je broer is ook dichter. Hoe is dat?
Omdat hij de achternaam van onze moeder hanteert, Baljon, hadden veel mensen eerst niet door dat we broers zijn. Sommigen kenden ons al jaren, onafhankelijk van elkaar, voordat ze daar eindelijk achterkwamen. Heel grappig. Als mensen ons eenmaal samen zien, vindt ongeveer de helft dat we sprekend op elkaar lijken. De andere helft vindt dat we als water en vuur van elkaar verschillen. Dat laatste geldt in ieder geval voor onze poëzie. Siegers werk is veel extraverter. Hij heeft meer talent voor mateloosheid. Die verschillen zijn alleen maar leuk. Momenteel doet hij de mime-academie. Als hij daarmee klaar is, willen we samen een theatervoorstelling gaan maken.

Naast dichter ben je ook singer-songwriter. Wat is het grootste verschil tussen het schrijven van gedichten en liedteksten?
Bij een gedicht probeer je zo geconcentreerd mogelijk te schrijven. Elk woord moet iets toevoegen. Liedteksten zijn losser. Er moet plaats overblijven voor de muziek. En voor de vertolking. Ook moet het lied goed overeind blijven als een luisteraar enkele woorden heeft gemist, omdat zijn of haar aandacht even naar een ander aspect van de muziek uitging.

Yke Schotanus sprak over de literaire emancipatie van de muziek. Hoe denk je zelf over je muziek?
Ik probeer gewoon zo mooi mogelijke muziek te maken. Het maakt me niet uit of het resultaat vervolgens in het hokje literatuur of in het hokje amusement wordt geplaatst. Als ik mensen maar weet te raken.

Je was ook betrokken bij Stichting Wonder. Moet een dichter zich engageren?
Het mooie aan Wonder was – en is – dat we een andere draai aan een maatschappelijke kwestie gaven, waardoor mensen er met frisse ogen naar gingen kijken. Mensen hadden het maar over de kloof tussen burger en bestuur. Dus lanceerden wij de Burgerbuddy, een soort Foster Parents Plan voor politici en ambtenaren. Mensen hadden het maar over dierenwelzijn. Dus lanceerden wij de campagne ‘Seks voor dieren’, omdat we het zo zielig vonden voor al die beesten die in Nederland nooit van de liefde mogen proeven.
In mijn poëzie geef ik ook vaak een andere draai aan de dingen. Het hoeft daarbij niet over politieke of maatschappelijke kwesties te gaan. Nergens voor nodig. Maar het kan natuurlijk wel. Zo staan in mijn debuutbundel twee gedichten met een maatschappelijke strekking: ‘Urk is vol, nu Nederland nog’ en ‘Op het lege kussen naast mij’.

Je bent ook vertaler. Is dat voor jou een creatief proces of een vorm van productie?
Ik herinner me dat er ooit bij een of ander optreden aan de zaal werd gevraagd of poëzie een kunst of een ambacht is. Ingmar Heytze zat in de zaal en hij koos zonder enige twijfel voor ambacht. Ik stak zowel bij ambacht als bij kunst mijn vinger op. Je hebt als dichter vakbekwaamheid nodig om de woorden je wil op te leggen. Maar om iets werkelijk bijzonders neer te kunnen zetten, heb je ook iets nodig dat je – met een ouderwets woord – inspiratie zou kunnen noemen.
Voor vertalen geldt iets vergelijkbaars. Het is natuurlijk een nederig vak. Je staat ten dienste van de oorspronkelijke auteur. Maar hoeveel vakbekwaamheid er ook bij komt kijken, je komt vaak genoeg voor uitdrukkingen te staan waar het Nederlands geen pasklaar equivalent voor heeft en dan kom je er niet zonder creativiteit.

Je wordt vaak bestempeld als een vrolijk of opgewekt iemand. Zie je dit als een voordeel of als een belemmering?
Ik verbaas me er af en toe wel een beetje over. Het is waar dat ik ook in slechte tijden kan blijven lachen. Dat vind ik een goede eigenschap en het is een kant van mijn persoonlijkheid die wellicht ook terugkomt in mijn poëzie. Maar die montere blik waar mensen mij dan van beschuldigen, weerhoudt mij er niet van om ook de donkere kanten van het bestaan onder ogen te zien. Ik heb het idee dat mensen dat wel eens over het hoofd zien en dat is jammer. Zo zijn de gedichten uit de slotafdeling van Stil alarm (‘Nat zand’) voor een belangrijk deel geïnspireerd op een vriend van me die op 37-jarige leeftijd geheel onverwacht in zijn slaap is overleden. Wie in die gedichten alleen maar vrolijke hersenspinsels ziet, heeft wat mij betreft toch echt iets gemist.

Geplaatst in Interviews.