Helen Dunmore

Die meisjes van de schaduwkant

Die lommermeisjes aan de groene kant van de straat,
die verre-van-groene meisjes die in de schaduw blijven,
die lommermeisjes in mysterieuze kleren
met labels die half zichtbaar worden
als het crèmewitte pand van hun jasje openzwaait,
die meisjes die schoppen tegen de plooiflappen
van hun crèmewitte kleren met kersenrode panden,

die aanstormende meisjes
die met parelmoeren paraplu’s zwaaien
zo stijf in de schede als tulpen in de knop
van een gewetenloze straatverkoper,
die meisjes in crèmewitte en kersenrode kleren
waarop de minste afdruk achterblijft,
die meisjes met hun eennaamsafspraken
die uit de zon lopen.

Het meisje duikt

Ze is zo goed als nergens, ze voelt geen kou
in haar witte schuimsluier van belletjes.
Ze komt tot een diepte van een zeehond
in z´n diepe duik, ze is glad en glanzend.
Als haar neusvleugels zich sluiten
is ze thuis. Kijk hoe het zoute water afglijdt
als ze haar ogen opendoet.

Er is het woord naakt
maar dat spelt haar niet.
Kijk naar de staalglans van haar huid
en het mes van haar vinnen.
Met de haai die zich koestert
met de vinvis
en de grijze zeehond
komt ze naar boven om adem te halen
tien mijl buitengaats.

Alle dingen die je nog niet bent

Vannacht is er een oploop in mijn hoofd
alle dingen die je nog niet bent.
Je bent woorden zonder papier, pagina’s
die in zomerbossen zuchten, tuinen
waar bouwvakkers hun rommel dumpen
en plastic z’n zweet uitwasemt.
Alle dingen die je bent, ben je nog niet.

Nog niet het eenzame raam in midwinter
met het gejengel van thee op een lege maag,
nog niet de te dure verwarming waarop je wacht
terwijl je er elk uur een muntje in duwt
Niet de prachtige stilte van restaurantdeuren
en hun interieurs die altijd zo veel kleiner zijn.
Niet de geur van de krant, de vegen
op je vingers – je faam. Nog niet

de liefde die je zult hebben voor goudreinetten
en Chanel 5 – en dat je dan niet
én een wasmachine én een computer kunt kopen
als de baby op komst is
en mijn stem die dan zegt: ‘Ik geef je ‘m’
en jij maar fronsen, fronsen
naar muren en oppervlakten die de mijne niet zijn –
dat alles nog niet. Geef me je hand,

die kleine zonder een spoor van werk erop
die vreemd is aan het afwasteiltje
en Dreft niet van whiskey onderscheidt.
Nog niet het moment dat je in taxi’s aankomt
bij gewaagde bestemmingen, dat je alleen op stations staat
met de slippen van je mooie kleren wapperend in de wind
en geen geld voor de telefoon.

Nog niet dat moment dat ik je niets kan geven
zo goed gevouwen dat het in een envelop past –
een saaie brief die je niet zult herlezen.
Nog niet het moment dat je je onderdompelt
in een rivier die westwaarts stroomt: rivieren van kleren,
van dromen, een accent zo anders dan het mijne
dat tegen iemand zegt die ik niet ken: lieveling.

Vertaling: Daan Bronkhorst

Geplaatst in En verder.