Sander de Vaan – Plunder de dag

Bwènos dias

door Joop Leibbrand

Sander de Vaan schreef met Plunder de dag zijn eerste dichtbundel. Met vijf afdelingen met 8, 13, 6, 13 en 8 gedichten is er een mooie parallelle opbouw, maar het vermoeden dat deze afdelingen of zelfs de gedichten gespiegeld zouden zijn, wordt niet bevestigd. Evenmin trouwens dat dit een sterk vitalistische bundel zou zijn, omdat de titel immers een verhevigde vorm van het arcadisch carpe diem suggereert.

De bundel opent met een motto van Federico García Lorca: ‘en onze schoot draagt hulpeloze kindjes / zoals de wolk de regen in zich draagt’, waarna gedichten volgen over jeugd en kindertijd, die van hemzelf en van de eigen jonge kinderen. Hier vinden we enkele van de beste gedichten uit de bundel, zoals

Sneeuw

De mooiste sneeuw kraakte niet
onder de eerste stappen naar school

smolt evenmin op een tong of
raakte vol het hoofd van Theo B.
– pleinvrees voor velen.

Ze viel al eerder, in het licht
van de lantaarnpaal bij nummer tien

wanneer ik tussen de gordijnen door
naar buiten keek, het siersel zag
van een dag die nog te vermoeden was.

De Vaan weet de kwetsbare kinderwereld zuiver te verbeelden in een mooie mix van ernst, weemoed en onbevangenheid. De gedichten overstijgen het anekdotische en houden het sentiment beheersbaar, zoals mooi blijkt in ‘Smeltpunt’, waarin weliswaar alle personages ‘smelten’, maar de lezer dankzij de laatste strofe ook een ander, nuchterder perspectief krijgt aangereikt.

Smeltpunt

Een waterplas
waar ooit in ansichtkou
de mooiste sneeuwpop was

Stenen ogen op ontdooide grond
kromme, vieze wortelneus
te strak geknakte takkenmond.

Rode koontjes wolken sip
of hij nu soms
met opa in de hemel is.

Prompt liggen op het gras
wortel, stenen, takken klaar
voor als het sneeuwen mocht

van daar.

Het contrast met de tweede afdeling (motto: ‘Poet, write!’) is groot. Hier gaat het over onrecht, verschrikking, oorlog en geweld, het kleine en grote kwaad van alle tijden; dus gaan we van WO I naar Auschwitz en van de moord op de Russische mensenrechtenactiviste Anna Politkovskaja naar de executie van Saddam Hoessein. Door een combinatie van vaak parallel lopende herhalingen en een sterk ritme krijgen veel gedichten hier iets bezwerends, zoals in ‘Gids’: ‘Vermoede feiten/ bewezen feiten/ gevlogen daders/ berechte daders/ geschatte cijfers/ exacte cijfers.//’

In de korte derde afdeling, ingeluid met ‘wat moet de wereld met twee mensen/ die voor elkaar de hele wereld zijn?’ (Szymborska), staat liefde centraal, maar daarmee ook verlies en rouw. In ‘Nieuw de nacht’ valt het dwingende ritme op, waardoor het gedicht zich na een zwak begin krachtig herstelt:

Nieuw de nacht

Trillend lekt de maan
zoute melk op amberhuid
zacht je vingers, los je haar
wind waait lauwe druiven aan.

Ik drink je lach, je oogopslag
jaag je tong op zoek in mij
hoor de krekel, hoor hem niet
glijd en val in leegte diep.

Voor even één, onpeilbaar teer
voor even nergens, niemand meer

Waar de gedichten proberen een bepaalde waarheid te formuleren, zet De Vaan soms een al te forse stap richting tegeltjeswijsheid. Het is oppassen met uitspraken als ‘Géven, meer is liefde niet’ en ‘Leven is sterven, dag in dag uit’. Ze zijn zo waar dat er niets van overblijft…

Bij de vierde afdeling is het motto van de Poolse Joanna Olczak-Ronikier, de auteur van het fascinerende In de tuin van het geheugen: ‘Alle wijze mensen zijn treurig, maar lachen veel.’ Deze gedichten zou je kunnen typeren als kleine zedenschetsen, scènes uit het echte leven. De Vaan is hier vaak origineel, maar kiest soms ook voor een te makkelijke uitwerking, zoals in ‘Reünie’, of hij is te expliciet, zoals in het over een zelfdoding handelende ‘Plek’. Maar in het volgende gedicht, dat staat in de beste Leeflangtraditie, vertelt hij in negen regels een complete roman. Noch de jongen, noch het meisje zul je ooit vergeten, omdat ze archetypen zijn:

Vier ogen

Ze vraagt hem wie hij is en hij
hij bloost zijn naam, een stad, een baan.

Dag één op school, zijn eerste zoen
oma’s lach, de cowboys in zijn kamer
spiegelzee met moeder, vader, broers
zijn mooiste goal, gesnik in ochtendmist
de blik van hem die weet wat mensdom is –

dit alles mag ze van hem pellen

maar ze gaapt, verdwijnt alweer.

De bundel wordt besloten met gedichten die merendeels eerder in Hard Gras verschenen. Sportgedichten derhalve, en vandaar ook dat de bekende uitspraak van Rinus Michels over voetbal en oorlog voorafgaat. Het pièce de résistance is ‘Bwènos dias’, een hilarisch gedicht waarin Van Gaal, de coach met het betonnen ego, op een antwoordapparaat inspreekt waarom hij weigert een interview toe te staan.

Plunder de dag is zeker een verdienstelijk debuut. Maar wat de kracht van de bundel is, is misschien tegelijk ook zijn zwakte. De inhoud is zeer gevarieerd, maar waaiert, omdat De Vaan kennelijk zoveel mogelijk verschillende invalshoeken wilde uitproberen, alle kanten uit. Een volgende bundel zou meer richting moeten krijgen, hetzij naar de ludieke Hard Gras-kant, hetzij naar de milde ernst van de jeugdverzen.

****
Sander de Vaan (Amsterdam, 1963) groeide op in Nijmegen en woont momenteel in Spanje. Hij is vaste medewerker van NRC Handelsblad en publiceerde onder meer in de Volkskrant, Vrij Nederland, Die Welt, Kicker en El País. Niet onbelangrijk: hij is redacteur van Meander   – als zodanig onder meer verantwoordelijk voor de puike rubriek ‘Wereldpoëzie’ – en dus een gewaardeerd collega van de recensent.
Enkele gedichten uit deze bundel verschenen eerder in Hard Gras (5), De Brakke Hond (2), Hollands Maandblad (2) en Krakatau (1) en op internet in Meander (2) en Op ruwe planken (2). Gedichten van De Vaan werden genomineerd voor zowel de VU Poëzieprijs 2007 als 2008.

 

Geplaatst in Recensies.