Henk van der Waal – Zelf worden

Vloeiend en visueel

door Bouke Vlierhuis

Ach, wat zijn er toch ontzettend veel goede dichters in ons taalgebied. Valt daar Zelf worden op mijn deurmat, de vijfde bundel van Henk van der Waal, die in 1995  debuteerde met De windsels van de sfinx waarmee hij de C. Buddingh’-prijs won. In 2003 verdiende hij met De aantochtster, zijn derde bundel, een nominatie voor de VSB-Poëzieprijs.

Wat opvalt aan Van der Waals schrijfstijl zijn de lange, vloeiende zinnen. In Zelf worden bestaan alle gedichten uit één zo’n zin, door enjambementen in zestien regels geknipt, kennelijk gedaan omdat de vormgeving dat eiste.
Die vormgeving valt bij deze bundel trouwens onmiddellijk op. Van der Waal is naast dichter ook kunstschilder en dat zie je. Over de gedichten en over de bundel als geheel is niet alleen inhoudelijk nagedacht, maar ook visueel. De gedichten zijn vormgegeven als twee strofes, visueel blokken, van zeven regels. Er boven staat de titel in licht grijs. Die titel wordt na het eerste ‘blok’ en dus midden in het gedicht herhaald in dik zwart. Tekstueel is hij daar opgenomen in de zin waarin het gedicht bestaat.
De meeste gedichten zijn per twee gerangschikt, tegenover elkaar op de pagina, en vormen zo een eenheid, aangekondigd door een pagina wit en een pagina met de titels van de gedichten in verschillende grijstinten. Dit alles geeft de bundel een rustige, zeg maar gerust luxe, uitstraling. Maar het zorgt ook voor spanning. Het mag duidelijk zijn dat de vormgeving hier de betekenis beïnvloedt en dat dat ook de bedoeling van de auteur is geweest. Die lichtgrijs gedrukte titel bijvoorbeeld, die geeft het eerste gedeelte van het gedicht iets tentatiefs, alsof het nog niet echt begonnen is. Alsof pas in de tweede strofe, na de titel in het zwart zoals we gewend zijn, het ‘echte werk’ begint.

Al meteen in het eerste gedicht weet Van der Waal ook met de tekst zelf de aandacht te trekken.

cirkel

als het laat is, als de tijd zich
kromt in de schemer, als de
mist de velden bestookt met witte
wijven en de rimpels van het
land langzaam vollopen met een
zilverpapieren zwaarte, trekt de
taal zich terug in zijn doofstomme

cirkel

je speelt nog de troefkaart van
uitstel en lust, vlucht nog in tennis
en voetbal, maar eigenlijk draai je
al rond in de jubel van het totale af
laten weten: kijk maar hoe jij je kijkt
en hoe je al kijken verhevigd raakt
in de staar van je zuiverste droom

‘De troefkaart van / uitstel en lust’, ‘de jubel van het totale af / laten weten’. Dat maakt nieuwsgierig. De titel van de bundel suggereert dat het voornamelijk over de dichter zelf zal gaan. En dat lijkt het meestal ook te gaan. Daarom is het des te interessanter om de bundel in de tweede persoon te openen.
Van der Waal blijft overigens de hele bundel dicht bij het thema. Wie ben ik? Hoe ben ik geworden wie ik ben? Hij behandelt daarbij belangrijke zaken als vriendschap, jeugd en de liefde in zijn fysieke en zijn meer bekoelde gedaanten. In het gedichtenpaar ‘Transcendentie/Overgave’ raakt hij heel even subtiel aan het religieuze. Vaak gaat het, zoals vaak in poëzie, ook over de taal zelf.

Stilistisch is het Van der Waal in Zelf worden niet om ontregelend vuurwerk te doen. De nadruk ligt in zijn meanderende zinnen op de vloeiende melodie van de woorden. Het aankondigen van een vergelijking met ‘als’ staat mij vreselijk tegen, maar is wel een manier om het de lezer niet te moeilijk te maken. De formuleringen zijn niet altijd even origineel: ‘de moerasdelta / van je mislukte jeugd’ lezen we in ‘Vriendschap’. Of ze staan vol met grote woorden:

bijna niemand laat je toeven in de alleenheid
van je oorsprong, bijna niemand zet je aan
te wijlen in je waarheid, want alles en iedereen
lokt de openbaarheid in je uit…

(Verdichtsel)

Maar daar staat in ‘Spiegel’ bijvoorbeeld deze rake beschrijving van naïef jeugdig idealisme tegenover:

…vrienden, vonden wij, zijn
alleen vrienden als zij zich verwonden aan
een en hetzelfde onbereikbare idee

De bundel sluit af met het gedicht ‘Het wufte van je zaaisel’, waarin de regels niet onder elkaar, maar elk bijna onderaan op een eigen pagina, zijn afgedrukt. Het gedicht beslaat daardoor vierentwintig pagina’s. Onder de dichtregels zijn in driehoekvormen krioelende lijntjes afgedrukt, die volgens het achterplat een wortelstelsel verbeelden. Ik begrijp het niet helemaal en het gedicht heeft ook nog die wat pompeuze stijl die in de rest van de bundel ook vaak de kop opsteekt. Niettemin, doordat het gedicht in een soort vraag-antwoordvorm staat en het leestempo (vraag-antwoord-pagina omslaan) daardoor erg prettig wordt, is het toch een gedicht dat je nog een keer wilt lezen. Net als de rest.

Geplaatst in Recensies.